In het voorjaar bij hem langsgaan, de zomer immers te heet, werd
in de herfst, de winter immers te glad, de stad

onbereikbaar, werd misschien morgen en nooit vandaag, en missen
en nooit bereiken. Twee taartjes zelf opeten en tegen

de bakker zeggen dat er een vriend was die zo van zoetigheid hield,
zijn ‘veel plezier’ elke keer, stevig doorstappen op weg

naar nergens en bijna tegen het einde omdraaien. Opluchting en wrevel,
en natuurlijk te laat zijn. O maar geen haast hebben,

te verlegen zijn, het juiste nummer kwijt, in de buurt zijn maar afgeleid,
onderweg een file, je opeens bedenken dat

het nu al te lang geleden is, hij zou nergens op rekenen en ik was teveel,
vast en zeker. En dan dromen van

een korte aanloop en hem treffen op de hoek en vreselijke blijdschap,
hij nog niet voorgoed weg en ik nog veel jonger dan vandaag.