Heel soms lijkt de route hetzelfde en ligt aan het einde daarvan
mijn vader nog met een strootje in het gras,

zijn armen onder zijn hoofd, en benoemt hij de wolken of zegt
gewoon niets. En heel soms staat al het lekkers

nog op tafel als ik aankom, mijn moeder met rode wangen in
de keuken, en roept ze naar de immense tuin

waar kinderen achter de bomen vandaan hollen en aan het granieten
aanrecht hun handen wassen. Heel soms ook

zijn we er allemaal terwijl het erf natuurlijk al opgesplitst is en
het hout van de bomen opgestookt en niemand ooit

nog praat over die ruimte, bang als we zijn onze kleding vuil te
maken, insecten in onze oren te zien kruipen, het

fruit dat in onze gezichten valt en de geuren van al die bloemen
te zwaar voor onze kinderziel zoals zij dat waren, zijn.