Daar sta je veilig, zegt hij, tussen Vasalis en Michaelis, een mooie plaats
in mijn boekenkast, lezen zal ik je, koesteren,

uitspreken en liefhebben, en ik zie me staan in een vreemde kamer bij een
nog redelijk onbekende lezer terwijl mijn verwanten

me in de enveloppe laten en in de onderste la of in een oud kastje dat ze
ergens op straat vonden of naar de kringloop brengen

en me doorverkopen voor 2 euro 50, me streng vragen of ik leven kan van
een hobby en de hele onderneming, mij dus,

zo gierig aankijken dat ik in de nacht ruzie maak en mezelf uitleg en verdedig
en altijd weer verlies, veilig, zegt deze man en mijn wangen

kleuren, ik huppel over straat, ik ben een cadeautje, ik wil een strik in mijn
haar en een hoge paardenstaart en een rokje dat danst,

en heel vaak uit de kast gehaald worden en betast en omgeslagen en uitgespreid
en met een briefje ertussen op tafel gelegd worden, elke keer weer.