Achter me rijdt een jongetje zijn fiets naar de open plek en parkeert
hem. Emmett, nee, zegt zijn vader, hij hoort in het rek.

Daar past ie niet in, zegt het jongetje. Wel, zegt de vader en wijst.
Snel want anders is iemand je voor. Nee, zegt het jongetje,

ik laat hem hier staan, ik sta hier altijd. Maar natuurlijk sjort hij zijn
fietsje even later naar het rek en pappa helpt tillen

maar het past niet, de krat voorop is groter dan het stuur. Zwijgend
zet Emmett de fiets op zijn eigen gekozen plek.

Dan probeert de vader een grapje, een eigen ervaring, iets van vroeger
en dat had ik ook. De afstand is te groot totdat een moeder

haar fiets het terrein oprijdt en hem naast die van Emmett zet. Hee,
zegt ze, jij hier? En iets over werken thuis en de temperatuur

en zij lacht. Dat wordt een moeilijke pubertijd, denk ik, en veel ruzie.
De vader gaat. Emmett, roept hij nog, denk aan je werk!