Iemand zegt me dat hij allang dood is, dat de straten leeg zijn
zonder hem, dat er nergens meer een beeld is

dat hij dagelijks nam en in de media plaatste, weet ik dan niet
enzovoorts. Mijn vinger langs de nieuwsberichten,

in plaatsen die hij aandeed, door letters die nog zwart afgeven.
Er zijn geen sporen behalve dat zwart en als ik

over mijn vingers blaas of ze afveeg aan mijn shirt, blijft er niets
over. Mijn kleding verfrommeld alsof hij, gescheurd

alsof ik alsnog rouw, ik geloof niemand. En waar is die dichter
gebleven die altijd zo, en waarom droom ik al

avonden lang over mijn vader, waarom ligt iets nog te ademen
in een plastic tasje langs de kant van het weiland,

verslik ik me in het dagelijks voedsel, proef ik bloed, druipt er
speeksel over mijn kin, vergis ik me in namen.