Hij leek op een filmster, de naam was bekend, ik fluisterde het in
zijn oren maar hij was niet overtuigd, ook niet

van het eeuwige gevoel dat als een dichtregel een nooit eindigende
rivier was, zo zei ik hem in het andere oor, hij

draaide zich simpelweg om. Op die ene keer na dat mijn tranen op
zijn buik drupten, had hij geen commentaar. Je huilt

om mij, constateerde hij, maar het was toevallig een inktzwarte dag
en hij was voorhanden, zo warm dat mijn verdriet siste,

en buiten was het even nat. Heel soms denk ik dat ik hem moet waarschuwen
dat het niet voor altijd was, dat rivieren een andere

loop nemen maar hij zal het wel weten. Ook dat zijn neus een andere
is dan die van de filmster. Nu nog duidelijk maken aan

mezelf en me herinneren aan het grenzeloze verdriet van toen ik naast
hem lag en hij sliep en ik maar steeds niet en hoe het regende.