Er is steeds minder ruimte voor de ander, het is passen en meten
en struikelen over de attributen en

accessoires, een te krappe jas waaruit je barst, knopen springen
onder tafel, terwijl elders steeds meer leegte

rondom ontstaat. Je buik inhouden daar en geen stapels omstoten,
is vrijuit ademen hier, blazen over de spleten van

de vloer en in het donker nog beesten zien en stof zien opwaaien
en het lijf zien vegen om nog iets te bewaren.

Daar is alles verleden en geweest, alles toegepast en bereikbaar,
alles al gedeeld en weer opnieuw, en toch zoek je

nog steeds naar een verrassing, iets dat je eerder gemist hebt, een
betekenis ook, een spoor van twijfel als een spoor

van liefde, van huid, van honger, van geur, van leven vooral, van
een nieuw woord, een raam dat open kan.