In een droom proberen een trap af te lopen terwijl een gitaartje onder
mijn armen geklemd zit, een balkon waaronder alle

vrienden, geroezemoes en gelach, eten overal, de kinderen, een vader,
steeds in gesprek zijn en de tijd vergeten, deze tijd,

alle tijd, opeens wakker schrikken van de stilte want het huis is leeg,
de stad is leeg, en dan mezelf terugvinden achter deze

tafel en tussen de zwarte bomen met een liedje in mijn hoofd, het verse
brood op het aanrecht. In een droom nog bij hem zijn,

bij iedereen, proberen te zingen terwijl mijn handen plukken aan de snaren,
en de trap maar doorloopt en nog een bocht neemt, steeds

weer een bocht neemt, het geluid van onderen toeneemt, steeds scheller
wordt en ik kan helemaal niet zingen, een gelach vanuit

hopeloosheid en verlegenheid, het brood in stukken brekend en dan roepen
dat iedereen gewoon kan pakken en nooit te kort hebben, nooit.