Het scherm blijft zwart, we zien niet eens ons eigen lijf
weerspiegeld, de stad is donker nog, we zijn

ergens waar het feest nog niet begonnen is, onzeker over
de uitnodiging, het juiste jurkje, ons

cadeautje, we talmen op de stoep maar weer komen we
bekenden tegen, dromend tegen ons aan stotend,

het is zo lang geleden, zeggen ze. Stemmen van mijn ouders,
de claxon van zijn auto, het dwarse gestamp van

iemands voeten, een giechel van een kind, zelfs de kat in de
hemel miauwt, en het is koud zoals bij

mist en vlagen en verdwalen en te weinig om het lijf hebben
en ergens niet willen en toch zijn, twee woorden

in je oor en kunst op straat en dan trekken en duwen tot er
boven je een scheur ontstaat waaruit eindelijk licht

valt.