Hij bedelt om een bezoekje, hij woont hier nu al drie jaar, zegt hij,
en niemand is nog geweest en hij heeft me nodig want

hij kan opeens niet meer typen en zo komt het boek natuurlijk niet
af. Soms belt hij daartoe zestien keer op een ochtend

en als ik opneem, is hij er niet, mijn batterij is leeg, zegt hij, ja, niet
die van mezelf hoor en hij gniffelt,

eigenlijk hoef ik niets te antwoorden want hij tettert er doorheen, hij
heeft zijn been gebroken, zegt hij en

gaat achteruit in plaats van vooruit. De grapjas van vroeger is ongewild
de grapjas van nu maar niemand lacht en het

bezwaart me, de zestien piepjes, dat gebroken been, dat niet meer kunnen
werken maar om hem te zien, om dat kapotte lijf te

zien of die heel oude huid, die verdwaasde ogen, ik kan het niet. Ik zie
hem zoals hij was en nooit meer worden zal maar zeg, ik typ wel.