Wijf waren wij, meid, meisje, niemand en niets, een A. met een
cirkeltje er omheen maar sinds kort en heel soms

zijn wij vrouwke. Dat klinkt zo lief, zegt zij. Een sprookjesfiguur,
denk ik, iemand met een rood doekje om en

appels in haar mandje, klein ook nog en haar in staarten langs het
hoofd, of heel oud en met de breipennen onder de

oksels en bezoek dat op het voorhoofd kust en fluistert. Het liefst
waren wij toch het meisje hoewel ik veel later pas

begreep dat het eigenlijk wat minderwaardig was, iets dat volgde
op ‘nu moet je eens goed luisteren’ maar niet gepaard ging

met dichtslaande deuren, het ongewenst advies en de sturing mislukte
bij voorbaat. Nee, zegt zij, het heeft te maken met dat

beneden de rivieren wonen, dat kolkende water blijkbaar dat mij
scheidt van soezen vol slagroom met bovenop donkere chocola.