Hoe ver het been zich ook strekt onder het laken, het komt niemand
tegen, een verloren sok misschien, een plooi, een

zweem van koelte. Het is als een bovenste regel van een vers, het
gaat vooraf aan de rest en het zegt meteen alles.

Het onderzoeken staakt, het legt zich terug bij het andere been en
hervindt dan de warmte, de zachte druk. Het rolt

nog een keer om, nu getweeën, alsof ze een heel gedicht vormen en
ook nog rijmen. Het gaat om de poging, zei iemand ooit.

Het hervinden na het zoeken, de uitnodiging van dat strekken. Het
is een teveel aan ruimte, het laken moet strakker om

ons heen, dan zouden we niet gaan dwalen. Een kussen op de voeten
wellicht, wat onbekende woorden verzinnen, opnieuw

een kat nemen. Wijdbeens proberen in een droom te geraken of simpel
gewoon opstaan, de andere sok zien in het stof van de ochtendzon.