Een vinger over hun rug die tekent. Zij raden mij. Een zonnetje,
een huisje met een brandende schoorsteen, een koe,

een gezichtje, een vliegtuig, een visje in het water. Ze giechelen.
Ze strekken zich voor me uit, liggen dwars over schoot.

Nog iets, bedelen zij. En de voorste doet hetzelfde op de brede
rug van hun buurman, een wel heel groot kind

dat net zo lacht als de allerkleinste. Hun lijf te voelen, de warmte,
de zon van buiten, de maaltijd voor ons, Pokémonkaarten

tussen de borden, alles wat van waarde is. Kippenvel op mijn armen
als het mijn beurt is. Hun vader die zich buigt om

iedereen op de foto te krijgen. Nieuwe afspraken. Met diezelfde
vingers elke afbeelding vergroten als we eenmaal

thuiszijn. Daar is het gezicht, daar de vis, daar het water, daar de koe.
Daar de zon, daar de warmte, een bord dat nog dampt.