Het is tamelijk geruststellend te voelen wat aanwezig is:
je billen als je je linkerarm uitstrekt, de

bloemenrank op de houten kast, het jurkje voor morgen,
de rulle handdoek onder je natte haren,

het lege laken helemaal tot aan de andere kant, je tenen
zonder sokken, de lentelucht ook ’s nachts,

je eigen hand, een zacht cakeje, de muur waarlangs je af
moet slaan om te kunnen plassen, de

warmte bij terugkomst in bed, opnieuw dat hele rijtje en
dan weer, soms met vingers uitgestrekt alsof je

oefent iets op te rapen van de vloer, iets dat je oversloeg
en niet wilde weten, een scherpe kruimel,

een propje papier, een kind of drie, een man, een zonnestraal,
een gevallen ster, iets dat meteen weer valt.