De nacht in flarden, een langzaam begin, een uitgerekt midden,
een welkome ochtend, alsof het leven zich

in porties aandient en we bijna volwassen zijn, de maan tussen
de zwarte takken rechts in het venster boven die

ene lantaarn, alle gordijnen nog dicht, de straat nog leeg, de beweging
nog gestold, een droom waarvan we niet weten

of hij echt is, een hand op ons hoofd in het voorbijgaan, een zachte
trui, regen, een piepende deur ergens, stof op de vloer

en onze haren, zijn gedraai en hoe wij daar rustig tegenaan liggen,
als een lucifer in een doosje, zei mijn moeder vroeger,

en als het lichter en later wordt de groene knoppen tegen het raam,
de uitbarstende bladeren, eindelijk kunnen we ons weer

verschuilen, vogels in de tuinen hierachter en nog uren te gaan,
gebak dat niet opgaat maar bewaard in dozen voor straks.