Twee keer langs het rozenveldje zoals we vaak twee keer rond de
lantaarnpaal draaien, daarna het zwarte pad achter de

flats, honden aan de lijn, zachte regen, mensen aan de overkant,
meeuwen krijsend, een achtergelaten paraplu,

dit, zegt zij, is het voorportaal en haar wijzende hand omvat alle
mensen zoals hij voortdurend zegt dat alles fataal

afloopt maar de zachtheid van de regen dan en de groet van die
onbekende en die rozen die gaan komen en de kinderen

die mijn hand houden en giechelen bij elk draaiend paaltje en onze
benen die daaroverheen zwiepen en dan onze

botsing en zingend bijna door, een bankje nog leeg, een broodzak
dansend voor onze voeten, het spoor van de kruimels,

de bomen langszij en dan in de verte een molen, een plas, een verlaten
kunstwerk en iemand die zegt daar ben je weer!