Ze kijkt niet op of om, de vrouw een coupé verder, ze leest. Het
kapsel keurig, de benen over elkaar geslagen, niet

het ene been op de richel langszij en het hoofd tegen de bank,
niet rommelend in haar tasje of haar mobiel het

nog doet, niet nieuwsgierig naar de mensen rondom. De titel van
haar boek is onleesbaar, haar handen bedekken het,

niet verontrust of ze het perron overgeslagen heeft waar ze eigenlijk
moet uitstappen, ze zou het zomaar vergeten kunnen

zijn, een vrouw die, zo vermoed ik, nooit de kalk van de muur likte,
nooit krijste, niet weet hoe te stampvoeten, een die

nooit te veel gedronken heeft en dus gekotst, zich altijd keurig gedraagt
kortom. Eentje die je zou gunnen dat ze bovenop

een man terecht zou komen, het liefst niet die van haarzelf, en dat ze
zou gaan huilen om haar boek, en eindelijk dat haar in de war

zou maken.