Iemand op straat die mij roept, het huis van een collega dat zo aan
mijn waterhuis doet denken, het gebulder van ook mijn

stem, zomaar doet dat alles de nacht verwarren, wakker worden in
het begin daarvan en denken dat het klaar is:

dit rusten, dit liggen, dit verblijf hier. Dan weer mezelf horen roepen
om de kinderen, naam voor naam, iemand beschuldigen

van inmenging en aanranding, iets bloots, iets oneindig treurigs, iets
heel fout en zorgelijk, opstaan en water drinken,

terug proberen alles goed te maken, alles voor altijd weer en alles
nieuw, het zijn te veel verantwoordelijkheden, te veel

gedachten, en nog is het aardedonker. Bij het echte wakker worden
is de wereld weer omsloten door de grijze nevel,

terwijl helder wordt wat ik droomde, de flarden aan stukken voor me
op de vloer, kinderen koud en huilend. Een stem in de verte.