In alle afstand tussen ons zit een leeg weiland waarboven vogels nog
wat rondvliegen en af en toe landen, vergeefs voedsel

zoeken, daarna vertrekken naar elders, het warme zuiden wellicht, in
alle leegte zit onze onbereikbaarheid, onze onwilligheid,

ons ontkennen van een gezamenlijk verleden en behalve zo nu en dan
een beeld, bloemen in het veld, een jurkje met veel

zwart, krullen op zijn hoofd, rest er ons niets. Bovendien herinneren
we ons andere dingen, ik zijn struikelend iets duidelijk

maken, hij mijn snelheid. Met ogen half dicht om nog iets te zien, en
bijgelicht door een heldere ster ofzo, die natuurlijk niet

altijd aan de hemel staat. Maar het verlangen blijft. Zijn sissende huid,
mijn waterval van haren, mijn lijf gevangen in zijn

armen, zijn ruwe handen, mijn witte zachtheid, zijn kracht, mijn woorden
van toen, gemurmel, geneurie, het zuchten.