Niet degene te zijn die voorop loopt, niet achterom te hoeven
kijken waar of ze blijven maar voor me uit de

jasjes te zien huppelen, de rugzakken van de ouders, de stemmen
boven de massa uit, de neiging tot tellen nog aanwezig

maar de tijd vergeten en de bedoeling, er is immers alleen maar
het hervonden zijn, achteraan de rij af te sluiten

en in het donker later me veilig voelen tussen hun ademhaling
en hun witte gezichtjes met soms opeens de ogen open,

benen over de rand en tasten naar vreemde trappen, piepende
deuren, het gebouw als het lichaam, vingers

als verzonnen woordjes, de boter die gesmolten van de toast loopt
en vlekken maakt op mijn vestje als hun tekeningen

tussen het boek dat achtergelaten op tafel voor bewijs zorgt, de
deur hoeft niet op slot, de tas kan blijven liggen.