De favoriete caissière kwam niet terug, de enige hoge stoel achter
de kassa bleef leeg, haar mollige giechel verdween

het eerst, er was eigenlijk niets meer aan, zei ze, en de stoel gaf haar
rugpijn, ze meldde zich ziek maar miste haar vaste klanten,

kwam terug en ging toen in de bloemenwinkel op de hoek werken,
staan was toch beter voor haar dan zitten. Op haar

vrije dagen schonk ze koffie in het verzorgingshuis, daar kwamen we
elkaar tegen zonder elkaar te herkennen. De heer P. maakte

haar aan het lachen, mevrouw de Z. legde steeds haar hand over het
kopje en de heer K. had vast geprobeerd de haakjes op

haar rug los te maken. Zo mis je twee, drie, vier mensen die je eigenlijk
beter kent dan de oudste leden uit je familie.

Voorzichtig he, zegt een buurman, als ik al mijn boodschappen naar
binnen schuif en ‘houd je een feessie?’. Zoiets, knik ik.