Tegen de dood opschrijven, tegen het onherroepelijk verlies,
hopen dat het is met wonderinkt dat je tegen

het licht moet houden en dan leesbaar is, niet eerder, dat het
geluid verstomt zoals het huilen van de allerkleinste

ooit boven een blauw ijsje, hem optillend maar niet wetende
wat er aan de hand is, sowieso alles omhoogtillen

en langzaam ronddraaien, de last van de wereld niet meer voelend,
de zwaartekracht trekt niet meer, tegen de stroom in

bewegend, benen die wegrennen en niemand daar achteraan,
tegen het zwart vechten dat soms verleidelijk paars is

of diep donkerrood, een sjaal over koude oren, een hand die je
beschermt, zo zouden woorden hun functie hebben,

een roos in een geweerhals, maar waar blijft dat licht dan waarin
we schrijven, waar die wonderinkt, waar de tovenarij.