Tussen de buien door en te midden van alle straten is deze plek de
enige die nog begaanbaar blijkt, het met warm rood

licht beschenen podium in de voormalige tuin achter de boekwinkel,
waar dichters met lichte tred van het trappetje springen

of zich achterover laten vallen als een engeltje in de sneeuw en een
onuitwisbare indruk achterlaten, de waarheid

verkondigen of dat wat er voor doorgaat en ons al onze vragen teruggeven,
als ons zuchten ondersteunen en in de handen klappend

ons nieuwe moed geven, dat is toch de functie van taal, van het dichter-
zijn, de stap buiten waard, verraderlijke gladheid terug

vermijdend, zoekend naar houvast, de adem warm uit de monden, de
rook op de stoep, de omarmingen voor en nadien, de

beloftes gestand doen en ons tegelijkertijd verrassen, voor altijd in die
warmte gevangen, deze plek, deze stad, dit zijn.