Als je denkt dat je in een nacht het verhaal kunt veranderen,
een beetje praten als Brugman en wat licht zuchten,

je nog eens omdraaien en je aarzelende hand boven zijn mond,
eigenlijk al wetend dat het geen zin heeft, dat

alles bij hetzelfde blijft en morgenochtend daar niemand ligt,
iets in je van een kinderlijke blijdschap en hardnekkig

negeren van de tocht in huis, de dampen van wiet door het
trapgat en de verschaalde olie uit een frituur,

waarschijnlijk klokkend naar beneden gegoten bij een ruzie
tussen onder en boven, en je weet dat voor denken

eigenlijk helemaal geen plek meer is, eruit geduwd zoals dat
lijk in de kast, billen tegen de deur om een en ander nog

tegen te houden, kun je beter opstaan en tellen met hoeveel
rondjes om de tafel het hijgen stopt en alle moed daarbij.