Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: lief (page 1 of 21)

veel lawaai makend

Er zijn dagen dat het nauwelijks beweegt, het zit en tuurt, het
schuift en strekt, een been, een hand, het zucht

en draait, het hoofd een weinig recht. Het meet zich af aan de
ruimte om zich heen, de rechte wanden, het pad

naar rechts, links de wereld, de hoogte onneembaar of het moet
zich laten vallen. Voor vallen is beweging nodig.

Het noteert iets anders. Urenlang is daar iemand op het scherm
die doet denken aan een man zo halverwege

het alfabet en van beneden de rivieren die met zoete tongval
lispelt in het rechteroor, lief en liefste met een

traagheid die vasthoudt aan de rand van het bed. Het herinnert
zich die stroperigheid. Dan zijn er de

nachten dat het schoongewassen en als nieuw afwacht wat er
volgt, het dekt zich toe en wendt zich af, haar lijf.

u weet wel wie wij ermee bedoelen

In de nacht controleren of hij nog leeft, is misschien hetzelfde
als in de ochtend zeggen van hem te houden, of niet

in alle vroegte natuurlijk maar voorbij dat van het donker wijkende
uur alsof plaats en tijd en begrip en object tezamen

de markering vormen naar een andere wereld, een ander besef.
Er zijn meer manieren zegt hij maar hij bedoelt dat

het eenvoudiger zou zijn voorgoed te vertrekken alleen hij doet
niet. Ik maak dan maar thee met honing en zit

rechtop, ik roer voor hem, hij mist kaneelbeschuitjes, zegt hij,
die kreeg hij vroeger altijd. Ik schrijf het op het

boodschappenlijstje zoals ik dit schrijf. Er is eigenlijk geen
andere boodschap en iets zou voldoende moeten zijn.

In de middag wil hij weten wat daar staat, ook dat is wellicht
hetzelfde als fluisteren van mij te houden.

een dansje wellicht

Dit keer is het een lief die met een Amerikaanse slee vanachter
mijn ouderlijk huis de tuin rondrijdt, het hek uit zonder

te groeten, op de lege plaatsen achterin allerlei apparatuur om
het gezin te vereeuwigen, iets dat mijn moeder

voordien deed, wij spelend in het grasveld, haar ring aan een tak,
een boomstronk, in de kelk van een bloem, een

handstand lukte nog net niet, er is een plooirokje dat over mijn
gezicht valt. Terwijl ik nog iets wil zeggen tegen

de man, passeert hij zonder te kijken en ik weet zeker dat de klus
nog niet gedaan is, ik herinner me niets van

poses en posities en zeker deed hij niets leuks met sieraden en
de natuur. Ik ben zo beledigd dat ik zelfs geen

huppeltje heb mogen doen dat ik wakker van plan ben dit meteen
te melden maar eerder aan mijn mamma dan aan hem.

alvorens ik durf

Een lief sprak jaren geleden het verbod uit via dit medium
te communiceren met een ander dan

hemzelf en ook voor die laatste had hij liever een briefje met
bibberend handschrift, natte veeg en omgekruld

randje, een postzegel met een kus eronder en een hartje op
een bepaalde letter van zijn naam. Alles had

sowieso vreselijke gevolgen die ik me van te voren had moeten
bedenken en waarbij ik zijn noodlottige staat, want

daar was hij sinds hij zich verloor, in overweging diende te
nemen. Het was geen tegemoetkoming dat ik al

schrijvend iets verzon, het huishoudelijk noemde of ‘vader’,
verwees naar het weer of een gunstiger jaartal,

tussen de regels was alles veel duidelijker dan hij het beleefde,
zie het noodlot en het zijn en de vlek onder de zegel.

alles mag aangeraakt

Het herkennen van de huid is misschien het belangrijkste,
het weer voelen van een warmte die meegeeft,

buigt en strekt met jou in je, de zachte druk en ook het
lichte schuren, de geur in haar plooien,

het bewegen van hetzelfde gewicht dat in gelijke lengte
een schaduw is van elkaar, nog altijd

aanwezig, je inhalend en terughalend, je opeisend en met
lange halen tekenend, god je was zo

zacht, je loslaat en meeneemt, tintelend belooft zonder het
afspreken, vergeeft zonder het vragen,

bekent zonder de schuld, bij voorbaat een volgende keer
je opwacht, kijk daar was je, likkend

aan je landschap waarin elke keer de thuiskomst het feest
is waarvoor de uitnodiging in haar ligt.

en dus staat ze daar nog altijd  

Beheerde ik eerst alleen maar zijn tijd en de personen
die erin voorkwamen, alsof ik bij de ingang van

de bus kinderen telde die later op de grond lagen en
deden alsof er geen thuiskomst was, pleisters

uitdelend met rode viltstift markeringen, giechels in
broeiende hitte, later kwamen daar de

bijzonderheden bij, de attracties als het ware. Ik zette
alles in een rij en maande tot geduld, er

waren ijsjes uit te delen met een dun laagje chocola,
op elke vraag een antwoord. Nu sta ik

aan de kant van de weg en tuur de route af, ik heb de
bomen verwijderd, rood-witte vlaggetjes

verhangen, de zon achter een wolkje verschoven, de
stenen geteld, het zwaaien begint.

terwijl hij zijn benen over de rand van het enorme bed gooide

Vroeger kon ik weglopen, met vaste tred en dansende
haren, en niet omkijken terwijl ik wist hoe

hij daar stond en keek tot ik opgelost was in de straat,
verdwenen met eenzelfde verlangen. Nu

ik hem niet meer bezoek, kan ik ook niet vertrekken,
geen grapjes over hoe de treinen niet

meer rijden, de kat van honger omgekomen, kinderen
verwaarloosd en een moeder reeds in

het andere land. Er zijn alleen nog berichten over de
andere route die ik kan nemen, tijden in de

toekomst of hoe hij een keer deze kant opkomt, heus,
en dat alles meeneemt dat ik vergeten ben,

vragen over dichte deuren, een optelsom van wat we
hadden kunnen doen, terwijl het bed al open ligt.

de geluiden bijna hoorbaar

Duidelijker dan welk woord ook, is het gekras in de
agenda van toen. Dom genoeg deed ik het in

potlood en zacht terwijl zijn pen, vloeiend in een van
de vertrouwdste handschriften, door de

pagina’s heen drukte zoals alles dat we deden in mijn
ziel gekerfd werd of in dat lijf dat zoveel jonger

zoveel soepeler was. Na twee weken hap ik naar adem
terwijl ik maanden van mijn dagboeken

kan verslinden. Hier sta ik stil bij elk gerecht, elke
afspraak, elk gewerkt uur (hij telt ze op), elke

ontmoeting, ieder kind, elke huilbui, vrijpartij, fietstocht,
speeltuin, vriendje, koosnaam (hij voor

mij), elke uitgaaf (hij telt ze op). De streep onder elke
rekensom is van hem, het kruisje erdoor van mij.

niet schrikken

Laten we blij zijn dat iemand zich die laatste nacht met
jou nog herinnert, dat vanuit de Cloud jouw

vertrek door de ruimte tuimelt alsof het mijn paradijs was,
jij de wachter op mijn muren terwijl ik achterover

viel en viel en viel. Een piepje en onze assistent toont
een bevredigd gezicht vol slaap en liefde, de

kleur van het beddengoed waartegen mijn melkwit lijf,
je verzamelingen zorgvuldig tegen de wand, het

treintje klaar voor vertrek, het spoortje mieren huiswaarts,
de kaarten die A. je stuurde ongelezen achter de

beeldjes die wiebelend hun borsten vooruit steken. Je moet
het vallen oefenen. Je doet eerst het hoofd, je houdt

je benen bij elkaar en vast en je voelt een lichte knik in je
nek net als toen je een koprol maakte als kind.

zilverwitte vleugelslag

Omdat hij er de tijd voor neemt haar te antwoorden
en gewoon helemaal geen tijd heeft,

vindt hij over een paar jaar pas haar brief waarin alleen
de opmerking dat die ander de

horizon in zijn lachend beeld niet had rechtgezet, toch
een van de eerste vereisten voor het

nemen van een goede foto, zo had ze van hem geleerd.
Misschien was van al zijn instructies het

enige belangrijke dat zij terug te vinden was in het open
veld maar de lichtende, rechte lijn was

vandaag een hoge zee, haar benen sprongen over de rand,
ze verdween in de golven. De ander

meent dat het lachje voor de fotograaf is, een bekende
beginnersfout in kadering.

« Oudere berichten

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑