Ik liep met je over straat. Alsof je gezegd had, kom op, en je
hand had uitgestoken. Voordat ik de deur uitliep,

zei de een ‘wil je een kartonnetje’ en de ander kwam met een
strookje plakband. Ze rolden je op en zeiden

dat ik je thuis meteen moest loslaten. Maar ik liep daar en had
geen haast en zomaar had ik de halve stad kunnen

doorkruisen. Jij wees een bankje, mijn witte broek werd vies,
mijn duim en wijsvinger stevig op de rol.

De trap op was nog lastig, er passeerden een peutertweeling
en hun twee moeders en een wandelwagen met

oranje vaantjes. We hielden ons in, jij en ik. Ik hield je voor
mijn buik, een voldragen zwangerschap.

Op tafel peuterde ik het plakbandje los. Je schoot in ligstand
en ik durfde met geen vinger je aan te raken. Nu niet.