O om tussen ze in te liggen en te slapen op het wiebelwobbelbed, hun
gilletjes als ik op de rand ga zitten en alles beweegt,

duik in die warmte tot ik de vloer voel, slaapzakken tot hun neus en
alle regen buiten en de wind en gisteren, alleen

vandaag telt, om ze nooit te willen missen, later op straat hun handen
houd en zij de ballonnen die ze kregen na een partijtje

en we bijna opstijgen, jullie zijn mijn anker, zeg ik terwijl S. (10) begint
over lichaamsgewicht en L. (8) over scherpe snavels

van vogels, inspiratie dan, zeg ik, en S. (10) daar kan ik me iets bij
voorstellen, de enorme giechelbuien als ik per ongeluk

woorden verbuig tot onzin, L. (8) mij stiekem filmt en een pompoen
van mijn hoofd maakt en dan weer boven op elkaar

achterovervallen in dat zachte, warme lijf, benen om mijn heupen en
armen om de nek, zijn we morgen ook nog bij jou?