Naast het ritme zijn we de noodzaak kwijt, het begerige en hongerige
iets waarmee we elke morgen het bed uitsprongen en

onszelf gaven aan de wereld, we zijn trager dan de buurman van het
licht, vergissen ons in de knoppen, weten alleen

de koffie te vinden, nauwelijks meer de ander. Hij belt als we onderweg
zijn en denkt dat we thuis zijn en zodra we thuis zijn,

denkt hij dat we Madrid aandoen en dan Boedapest, hij die het schrijven
als hobby beschouwt terwijl wij nooit dat verfoeilijke

woord gebruiken. De wereld is veranderd, zegt hij, en dat het helemaal
geen zin heeft, dat woord, dat ritme, losgelaten in het

besef dat alles eindigt, alles fataal afloopt en zachtjes lopen de tranen
over mijn wangen omdat thuiskomen een van die dingen

zijn die gelukkig maken. Dank voor de ontmoeting, zegt hij, en het geluid
waarmee versnelt zich, onhoorbaar bijna, vervormt onderweg.