Dat als je in het donker zijn stad binnenglijdt, de straten de armen
die je uitstrekt zonder iets te voelen, het zwart van de

ochtend je mooiste jurk, het water overal wacht op haar monsters
en een zeeman van ver, aan zijn brievenbus kan

rammelen zonder iemand wakker te maken, niets ziet weerspiegelen
achter de ruitjes, je zondermeer kan vertrekken zonder

aan te komen, af kunt slaan naar heel andere wijken, de trein wacht
misschien nog wel, dat je dan meer moed hebt en

meer bruggen oversteekt en in de schaduwen meer dingen ziet dan ooit
daarvoor en zonder boodschap verder gaat, het is

een andere plaats en een andere vrouw die de richting bepaalt en de
zin van reizen en heel even is alles nieuw, zelfs de koepel

die op de hoek glanst en de weinige regen die vanaf haar randen drupt,
zelfs die man die van niets zal weten en nog onder het kussen ligt.