Ze vraagt of ik weleens zing, gewoon in huis of misschien met een
familielid of zoals zij dat doet, met haar vriend,

ik schiet in de lach, zie allerlei taferelen voor me maar schudt mijn
hoofd om opeens ’s avonds laat te denken aan

Er ruist langs de wolken en het harmonium van mijn vader waarachter
wij dan stonden, zijn brede rug omhoogkomend van

het te iele bankje maar een stem herinner ik me niet. Mijn Beppe die
in haar kist lag en mijn dochter die mijn hand hield

en heel hoog wijs probeerde te houden en de hoge deurtjes aan de
zijkant van de rij banken, die mij bijna smachtend aankeek

om ook een bijdrage te leveren, ja die, zoals ze nu in rood fluweel op
Burns night in de camera kijkt en het glas heft, en toch

zo’n vraag is zomaar een heel interessante. Vrienden heb ik nooit op
hun zangkwaliteiten beoordeeld, zeg ik dan maar, en knipoog.