Wachtend op tovert de wereld zich wit. Terwijl we dachten aan
voorjaar en groen gras en iets van warmte

ligt er een wit dekentje en willen we terug naar de holte in het
bed, niet hoeven reizen maar annuleren, vergeten.

En dat wit is natuurlijk zo weer weg, we hoeven alleen maar nog
een uurtje te slapen, uit te stellen, verder niet.

In een droom heeft hij de ingang van zijn straat met een papieren
gordijntje afgesloten, in de verte licht vanuit een

open raam waarachter hij een apparaat bedient, zittend. Wat wil
je, vraagt hij nors, en ik weet het niet. En zo blijf

ik daar uren staan tot hij zich uiteindelijk omkeert en me door het
raam tilt en voor het houtvuur legt. En druppels

vallen uit mijn haar en mijn huid van bont, een plas op zijn vloer.
We dachten aan een weiland evenwel en bloemen misschien.