In een droom raken hun sturen elkaar en vallen ze op het weggetje
naast het water, hun spullen natuurlijk overboord

en zij slungelig tot hun middel proberend alles aan kant te krijgen
en dan weer op weg naar huis, het raam waardoor

ik ze nakeek en toeriep, zo ver waren ze nog niet. Ik hoor mezelf
roepen naar ze en weet tegelijkertijd dat het niet nu

is, niet hier, dat ze het zelf wel kunnen, dat het mijn pubers zijn met
capuchons op en wijde broeken aan waaruit een ketting

van metaal ter versiering hun lussen aan elkaar verbindt, jongens
die allang volwassen zijn waarvoor ik niet de hete douche

hoef aan te zetten of schone kleren hoef klaar te leggen maar iets
in mij blijft hardnekkig geloven dat ik dat moet doen en

half wakker kijk ik natuurlijk of ze het laatste kwartier nog online
zijn geweest, sluit het raam en smeer alvast boterhammen.