Hij ligt er weer, maar wie is hij? Met mijn linkerhand voel ik alvorens
opzij te kijken en in het donker het profiel te herkennen,

de warmte als toen, de afmetingen, het geluid dat hij met halfopen mond
maakt. Een droom waarin hij mijn tafels dekt, stoelen

aanschuift, mijn moeder tilt naar haar plek en de kinderstoel klaarzet,
die met die vier kralen aan een ijzeren boogje voor

op het beschilderd hout. Dat hoeft niet, zeg ik hem, ze is er niet. De man
die zo van de extremen hield, hitte, kou, liefde,

haat, en zij die nooit zou leven, dat kleine donkerharige kind. Of vergis
ik me toch en is het die ander. Er liggen kleedjes over

de bank, een schemerlamp staat er schuin achter, er komen steeds mensen
binnen alsof het huis een openbare gelegenheid is,

geroezemoes, schuiven van stoelpoten en nog weet ik niet zeker of hij
dezelfde is, misschien pas als hij geld vraagt voor deze activiteit.