Opeens is er ruimte, een klein zonnetje in de lucht, de straat
niet opengebroken, een vogeltje op de stoep dat,

als we onze blik scherpen, een kloppend hartje blijkt te zijn
dat wordt opgeraapt en doorgeslikt door de

vrouw naast me, dat stukje komt uit een boek dat ik las en
ging over dode kinderen die zo opnieuw geboren

konden worden, gecombineerd met het beeld van S.(8) en
L.(6) die een roofvogelshow bekijken tijdens hun

vakantie waarbij de grootte van de beesten ook op een klein
schermpje intimideert, het zijn de ongedachte

maar logische combinaties in de nacht waarbij ik mezelf
terugvouw tot hanteerbare proporties, nog even talm,

en meisje Z.(0) inderdaad met haar voetjes stampt op hetzelfde
stoepje, oehoe roept, in dezelfde zon, dezelfde ruimte.