Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 3 van 391)

van haar wortels ontdaan

Erger dan de lege plekken zijn de blanco gezichten
die net nog onder je lagen met lachjes en

verhalen. Kom niet bij me met lege handen, zeg niet
dat iedereen hen kent. Pijnlijker dan

verdwenen schuilplekken zijn verdwenen redenen
om te schuilen, groot geworden past

zoveel niet meer. Het komt omdat we op de terugweg
zijn maar wie wilde vertrekken, het

pistoolschot te luid bij het oor en blijkbaar op handen
lopend in plaats van op de voeten. Verhalen

zijn om gerust te stellen dus het is goed dat ze op zijn,
de echte reden is de echte wereld, daar

wil je heus niet blijven. Zonder je om te draaien weet
je de lucht van een doorzichtig blauw.

een inventaris van de levende

een inventaris van de levende

De open ruimte is zichtbaar vanaf de zijweg, de
kale tuin loopt nu zomaar over de stoep, weg

zijn alle bloemen die ik op mijn fiets vervoerde,
struiken die in de fietsmand mijn zicht

belemmerden, zakgeld dat verdween in de aarde,
voorbij ook het geknaag van de beesten en

het schuilen dat ik beschreef. De grond van mijn
voorvaderen is omgeploegd en van haar

wortels ontdaan zoals ik verweesd ben geraakt,
een afvallige van mijn geloof, ik kijk zelfs

niet of de haan nog op de kerktoren staat. Het
huis een vierkant blok in een

vierkant veld waar geen kind meer speelt, geen
moeder zich bukt, geen vogel hurkt.

dat hij verzamelde en schatten noemde

Lopend door het huis is alles opgenoemd, een inventaris
van de levende die met blikkerige stem in het

apparaat gestopt wordt, achter hem aan herhalen we de
route. Iets ruikt naar bederf, een oude zomer die

opgeruimd moet, er dansen vlekken op het tapijt. De leuning
van de trap hangt los. Zoals bij iedereen ligt

onder de nok van het dak het meest kostbare, tegen de
met paisley motief bespannen wanden staan

in rijen dik de kunstwerken, het lichtknopje bij de deur
zet hen allemaal in een eeuwige zon. Op

tafel een mapje voor iedereen, de kaart met naam maar
zonder datum steekt eruit. O mag ik een foto

waarop zijn haar nog zichtbaar, zijn wenkbrauwen nog
zwart en in boogjes opgetrokken, hij nog onder ons?

later kwamen daar de bijzonderheden bij

Als je hem lopend over straat tegen was gekomen, een
kleine jongen nog met uitpuilende broekzakken,

een pleister op de ene knie, losse veters en afzakkende
sokken, krullen ernstig in de war en ogen

van het waterblauwe, onpeilbaar diep water waarin
zwarte beesten allang verdronken waren, en

je afvroeg waar zijn moeder was en of hij geen vriendjes
had of wat het was dat hij verzamelde en

schatten noemde dat daar zo in zijn zijden gekoesterd
werd en of hij wel genoeg te eten kreeg, en op

gelijke hoogte met hem, zijn sproetjes tellend, bezorgd
hem dan staande hield, zei hij dat hij

uit Amsterdam kwam en vergat hij moedwillig de vier
straten achter hem en wist zeker zijn bestemming.

en dus staat ze daar nog altijd  

Beheerde ik eerst alleen maar zijn tijd en de personen
die erin voorkwamen, alsof ik bij de ingang van

de bus kinderen telde die later op de grond lagen en
deden alsof er geen thuiskomst was, pleisters

uitdelend met rode viltstift markeringen, giechels in
broeiende hitte, later kwamen daar de

bijzonderheden bij, de attracties als het ware. Ik zette
alles in een rij en maande tot geduld, er

waren ijsjes uit te delen met een dun laagje chocola,
op elke vraag een antwoord. Nu sta ik

aan de kant van de weg en tuur de route af, ik heb de
bomen verwijderd, rood-witte vlaggetjes

verhangen, de zon achter een wolkje verschoven, de
stenen geteld, het zwaaien begint.

niet rechtdoor maar plotseling linksaf

Ze had mijn vader verzocht naar mij toe te rijden, de
dorpsweg af, de stad in en met haar uit te stappen,

voor mijn deur te wachten en naast haar te blijven staan
zoals hij uit zichzelf altijd al deed, ze had

haar puntige vinger op mijn deurbel gelegd en nogmaals,
ze had zich gemeld door het rooster naast de bel,

ik was naar beneden gekomen, had hen daar zien staan
en ze niet uitgenodigd naar boven, ze had

een zomerjurkje gedragen en hij had zijn hemdsmouwen
naar beneden geduwd, ze had haar zonnebril in

haar tas gedaan, ze zei ‘ik heb zo’n verlangst naar jou
en ik had haar niet binnen gelaten en dus

staat ze daar nog altijd en na al die jaren klinkt nog dat
halve Fries en verlang ik niets meer dan

haar binnen te laten, omhoog te duwen mijn trappen op
en haar te zeggen hoeveel, hoeveel ik van haar hou.

niet rechtdoor maar plotseling linksaf

“Verder laat veel Beat-literatuur zich kenmerken door het schrijven in een stream of consiousness (ook wel: spontaneous prose), gevangen in het paradigma “first thought, best thought”.

Tom Willems, uit: Dylan & de Beats

op kleur gekozen

‘Neefje’ Tom brengt de laatste twee nieuwe boeken, 30 juni 2018

op kleur gekozen

Poëzie is ook je best doen, niet door het vinden van
bepaalde woorden in een zekere rangschikking,

het combineren van ritme en klank en betekenis en
het laten proeven van dat wat

mogelijk is, maar het voortdurend blijven kijken naar
wat onderweg onthuld wordt of niet

zichtbaar wordt gemaakt dan eerst in jouw regels. Steeds
een dans in je hoofd zoals je op straat om

een lantaarnpaal draait en nog eens en dan niet rechtdoor
maar plotseling linksaf gaat, een

beweging die ontstaat in je hart en doortrekt naar je buik,
je armen, je benen, in je borst klopt, je

nek spant, je haren schudt, je ogen toeknijpt, je mond
open stoot en daarna je neerlegt op het wit.

Oudere berichten Nieuwere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑