Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 2 van 391)

ver uit het zicht van

Ik ben altijd alleen, weet je dat en ik draag altijd alleen
jouw vertrek met me mee en ik kan het

opschrijven en je kunt het lezen en voelen, zeg je, ik kan
het bijna voelen want het was zo en niet anders,

maar niemand corrigeert die feiten en geen enkel persoon
komt ervoor in de plaats, mooi gevoel

schamper ik, fijn leeswerk, verzin nog eens wat. Het was
niet je bedoeling, zeg je. Ik ben gemaakt voor

dit alleen zijn, ik praat tegen het papier, ik kras tegen de
ruit, ik druk je weg zodra je kopjeduikelend je

kunsten vertoont, geen enkele moeite, zeg je. Het zou iets
zijn waarvoor ik je bedanken moest. Nee,

je hoeft niet te komen, je weet niet waar ik ben, oefen nog
maar wat in het je bewegen van hier naar daar.

het achterland het uitzicht

Nog eens. Boek 8 heeft in 3 dagen tijd 16.127 woorden. (We waren het nummer vergeten in onze reeks manuscripten)
Het bevat herinneringen aan de stad Alkmaar, het dorp Sint Pancras, de gebruiken en gewoonten van mijn jeugd en daarna, de sociale omstandigheden en maatschappelijke veranderingen, opgeroepen onder andere door het voorlezen aan de ouderen en het delen van hun ervaringen, en op verzoek van mijn kinderen.

het achterland het uitzicht

Strijkend langs de kleine groene blaadjes van mijn kruidentuin,
op zoek naar de gaten makende, gulzige onverlaat, houd

ik alleen de geur aan mijn vingers over en daarmee de herinnering
aan mijn mamma die op haar knieën in het groentebed lag,

haar klompjes onder haar rokken geschoven, en met het schilmesje
de ingrediënten afsneed voor de soep of de

gevulde vleestomaten die uit elkaar spatten in de oven alvorens ze
op ons bord kwamen, en ik huil zomaar omdat

naast deze heerlijkheden al het andere meekomt: zomers die in
de achtertuin gevierd werden, ver uit het zicht van

de dorpsbewoners, beesten die hun warmte aan ons afstonden en
met de bek in onze hand meeliepen, een vader die –

ach, alles was daar nog, en ik zelf, ik zelf, en het land onbegrensd
en voor altijd van ons, licht wuivend en geurend.

langs de straten van asfalt

Misschien is mevrouw K. dood en de heer B. van zijn zinnen
beroofd, mevrouw Z. nog bloemen aan het plukken in

de zijwegen, mevrouw D. nog in dezelfde melodie, neuriënd
en misschien ook is het achterland nu het

uitzicht, de grens opengesteld, de koffie minder lekker, het
toetje voor de ochtend bewaard, de visite

een huwelijkskandidaat, waar blijven de cadeautjes? En of
ik ouder geworden ben, reeds moeder, wie

was er dood bij mij, had het kind de auto’s vermeden, lag ik
languit in de zon, groeiden er ook blauwe bloemen

bij mij? De boeken liggen te wachten, oranje, geel en blauwe
briefjes tussen hun hoofdstukken, ik stapel ze

voor vertrek, de zomer is een ongenoegen, de meisjes vrij, de
herinnering ongemoeid, het wachten hun gemis.

 

(de voorleesgroep en ik moeten wennen aan een oponthoud)

tussen uitspraak en denkbeeld

‘goed voor Reuring’
Aanstaande zondagmiddag, 15 juli, wordt in de consistorie van de Grote Kerk Alkmaar de presentatie verricht van de eerste dichtdruk – de combinatie van kunstenaar en dichter – die op uitnodiging van het Grafisch Atelier en Bibliotheek Kennemerwaard met behulp van ons literair podium tot stand kwam.

Op de besloten bijeenkomst tonen kunstenaar Piet Lont en dichter Joris Miedema het resultaat van hun samenwerking en praten ze over hun werkwijze.
Dit is het eerste resultaat van een 2-jarig project waarbij 8 kunstenaars en 8 dichters, aan elkaar gekoppeld tijdens een Reuring Speciaal, ieder kwartaal hun werk tonen. Onderwerp of thema is vrij. Het Grafisch Atelier heeft een speciale map ontworpen die via hen te koop is en waarin alle 8 uitgaven passen.
Op het Reuring podium zal ieder duo een voorpresentatie houden.
Januari 2020 zijn we zelf aan de beurt en werken we samen met kunstenaar Niels Zwirs.

tussen uitspraak en denkbeeld

Er zit bloed in mijn droom, teveel van dat lichte rode
dat wegsijpelt in sponsachtige onderdelen die

uit het lijf geperst dampend op een schaal voor me liggen.
Er zit te veel bloed in mijn droom, het

gesprek gaat achter gesloten deuren verder maar mijn
gedachten zijn elders, koortsachtig. Behoedzaam

leg ik mijn handen terug op mijn buik. Ik fiets langs de
straten van asfalt waarboven lichtgele bomen

zachtjes hun geur naar me toe wuiven, ik kan fietsen,
zie je wel, er is niets om ongerust over te zijn.

Mijn moeder zal op me wachten met twee plakken koek
bij de koffie en met een koud neusje ergens

in mijn hals, daar stopt mijn pijn. Ik zie wat bleek, zal ze
zeggen, en voor de grap prikt ze in mijn zij.

op elke traptree iets van waarde

Bij elke handeling hier lijkt het toetsenbord sneller te bewegen
dan ikzelf, bijna alsof de computer op elke gedachte en

elke adem reageert, mijn stem registreert alvorens zij hoorbaar
is, geen schakel meer vormt tussen uitspraak en

denkbeeld, een onzichtbaar snoer aanlei tussen hersenpan en
scherm en erger nog, controleert alvorens ik dat kan.

Ongetwijfeld is het een neurotisch gevolg van het delen van
noodzakelijke veranderingen op De poëziesite van

Nederland, waar is de zomer anders voor, en het aanvoeren van
een driespan waarvan ik nauwelijks de teugels

beheer, zij halen me aan alle zijden in, kletsen nog wat na terwijl
de verbinding verbroken wordt, adviseren

het omkeren van verwachtingen, tegendraadse akties en geduld;
zo zichtbaar blijkbaar is dat ademhalen van mij.

met lege handen

Weer niets gedaan.
En weer was alles vergeefs vandaag.

Ik zocht een verre plek om onder de mensen te blijven.
Een zuivere merel heeft zich daarnet in mijn oren geknoopt
En langzaam zijn de ogen van een vrouw over me heen gegaan
Als veel lauw water ’s avonds van een zomerregen.

En slapende paren, mijn ouders misschien, hebben vandaag gehoopt
Op mij, en sloom en treuzelend zijn zij uit mij opgestaan
Als kinderen ’s ochtends voor ze naar beneden gaan
Om er te spelen met de wijzers van de klok.

Weer niets gedaan.
Dan dit geluk dat mij wordt aangedaan.

Leonard Nolens, Zomeravond, uit de bundel Tweedracht

met lege handen

Iets ijlt nog na, een boodschapper die de waren onderaan
de trap zet, een restje stem dat galmt, zanderige

voetstappen. Het hangt van de honger af of we naar onder
afdalen en de voorraad binnenhalen, het

is niet gratis. Zoiets misschien. Weten dat het er is maar
tegelijkertijd de aanbieding afslaan, bijna al

stijgt een lichte geur van verrotting naar boven, straks delen
we het op straat uit, een toeloop van mensen op

onze stoep, gretig. We hebben niets, was er geroepen, een
beest doet zich tegoed aan, het gesmak verspreidt

zich in de tuinen. We dalen af, hij houdt zijn hand op voor
een fooi, in plaats van geld krijgt hij een

high five, we grijnzen. Op elke traptree leggen we iets van
waarde, onbederfelijk, voor later, en zetten ons erbij.

van haar wortels ontdaan

And I hear her name here and there as I go from town to town
And I’ve never gotten used to it, I’ve just learned to turn it off
Either I’m too sensitive or else I’m gettin’ soft

Sundown, yellow moon, I replay the past
I know every scene by heart, they all went by so fast
If she’s passin’ back this way, I’m not that hard to find
Tell her she can look me up if she’s got the time

Bob Dylan, uit: If you see her, say hello

Oudere berichten Nieuwere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑