Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (page 2 of 435)

met mijn pen maak ik een opening

 

met mijn pen maak ik een opening

Zijn geur zit onder mijn huid, ik ruik hem als ik mijn hoofd
draai en het haar voor mijn neus valt, als ik

mijn shirts uittrek en het zweet afspoel, als ik over mijn lijf
strijk terwijl ik alleen achterblijf, het huis

vol van leegte, er is geen ontkomen aan. Soms is er een flard
van iets nieuws, een zoete walm van snoep in

een steegje, brandstof in een rij wachtende auto’s, een natte
hondenvacht in het voorbijgaan, soms ook

is er een maaltijd van thuis, een snufje parfum, de gladde kin
van een pas geschoren vader, de bloemen die

op uitkomen staan in een wijde vaas voor het venster. Er valt
niets weg te wassen. Niemand haalt

zijn neus op. Eerst na dagen merk ik mezelf weer op: een lichte
zweem van melkwit vel dat zich voegt in haar plooien.

andere koosnamen

Amsterdam, 14 juni 2019

wit nog

Wat is je haar lang geworden, zou ze zeggen en even trekken
aan de onderkant, en ze zou staren naar een bijna

fatale combinatie van rood en oranje of een diep uitgesneden
shirt dat achterstevoren nog iets bedekte, ze

zou ook daar aan gaan trekken, ze zou haar ogen dichtknijpen
en even peinzen en dan over de kinderen beginnen,

waren ze alleen thuis en moest ik reeds de terugweg nemen,
hadden ze zelf inmiddels kinderen, was de

tijd zo snel voorbij gegaan, waarom had ik haar niet eerder
gebeld of was ze hardhorend en had ze nooit

opgenomen. Maar lieverd, zou ik zeggen, en andere koosnamen,
je hebt geen bereik, je bent al jaren heel ver

weg van me, je ging zonder te groeten, de kinderen moesten
huilen, weet je nog, maar ze wist van niets.

 

(In 2014 voltooide ik de gedichtenbundel ‘zij draagt alvast het wit‘,
opgedragen aan mijn mamma. Deze bundel is niet gepubliceerd.)

verderop wacht de mens

Hij zegt dat de tekeningen op mijn lijf nauwelijks verkleuren,
hij trekt ze zelden na met zijn vingers maar heeft

het bloed zich zien vermengen met de inkt en het bloed is even
rood nog. De grimassen van pijn heeft hij

vastgelegd maar als hij zijn handen zou volgen, dwalend in de
verhalen, komt hij misschien om en valt hij

ergens tussen toen en nu en raakt hij besmeurd met verf en de
zachtheid van alles dat daaronder ligt. De

lijnen raken elkaar zoals dat iets dat terugkomt op zijn plek: het
lijf bovenop het mijne, het zwaard in

de schacht, het meisje in het vooronder, het brood op de plank,
de zin in het verhaal en het blauw dat

onder het zwart doorloopt in het groen, zijn oog op haar naaktheid
alsof hij haar voor het eerst zag, wit nog.

“Het zijn allebei manieren van communiceren”

Interview met Jeanine Hoedemakers

 

“Het zijn allebei manieren van communiceren”

zeker niet in een bepaalde toestand

In het natte land de natte paarden, hoofden bij elkaar, licht
huiverend de flanken, het groen dieper van kleur,

de sloten donkerder, borrelend bijna van nieuwe inhoud,
de trein snijdt het laatste weiland, gretig als

de wind die raast over de schuren, de daken optilt en laat
vallen. Verderop wacht in groepjes de mens

onder de hellende gevels, tegen de muren, benen bij elkaar,
kleding fel of vergeten, sissend tegen

elkaar of de lucht terwijl de straten glimmen, leeg nu op de
voorovergebogen fietser na die met natte handen

het stuur probeert te houden, ledematen zwaar van het vocht,
verkild en langzaam. Alles verlangt de stilte

en de terugkeer van de warmte en die helderheid, nieuw land
dat ruikt naar vroeger en thuis.

alsof we dat allemaal zijn

Heeft u wel eens besloten te stoppen met nadenken, niet alle
associaties te maken tezelfdertijd, het idee dat

geluk voor de simpele is aangehaald en nagelaten uw best te
doen en lukte u dat – en nu typ ik hier niet het

verderfelijke vraagteken en ik noem geen termijn waarin noch
geef ik u enkele tips die bij nader inzien net zo

slecht werken als de vierentwintig stappen waarbinnen u uw
nieuwe en zoveel gunstiger gemoedstoestand had

kunnen bereiken, ai; raad die u noch ik ooit zouden opvolgen
omdat we helemaal nergens willen komen en zeker

niet in een bepaalde toestand, alleen soms een kleine pauze
verlangen van dat alsmaar werkend brein en dit

bij voorkeur tijdens een Pinkstercrisis waarin tongen van vuur
toch op ons neerdalen en ons eindelijk dronken maken.

een pleziertje

Als mevrouw V. met ogen dicht en licht schommelend tussen
haar medebewoners zit, houdt iedereen haar in de

gaten, ze glimlachen zelfs vertederend en licht bemoedigend
en gaan de kring rond tot ze bij mij komen

en knikken. Dat ziet mevrouw V. natuurlijk allemaal niet maar
ze voelt het blijkbaar want opeens gaan haar

ogen weer open en zegt ze luid dat ze zich aan het concentreren
is, ja, en dat ze heus alles gehoord heeft.

Het verhaal gaat al die tijd gewoon verder hoewel juffrouw J.
daadwerkelijk vertrekt. Zij heeft haar

boodschappentas vol cd’s demonstratief op tafel en nu ze weet
dat er niet gezongen wordt vandaag, wil ze naar huis.

Dan begint de heer B. ‘er is er een jarig’ te zingen alsof we dat
allemaal zijn, wat gaat de tijd toch snel.

een nieuw optreden van mij

Hij maakt er een opname van, hoe kwetsbaar ik daar sta en met
mijn armen maai, hoe ik gil en me verzet, niet

hoe er tranen lopen onder de headset door of hoe misselijk ik mijn
evenwicht dreig te verliezen. Het is een spel

tenslotte maar de geluiden zijn niet geruststellend, de kleuren en
pijlen niet en ook mijn verblijf, daar

in die virtuele wereld, omringd door de geblokte ruimte waaraan
geen houvast, geen herkenning, geen route zichtbaar,

is allesbehalve een pleziertje. We houden je voor de gek, zegt hij
maar het is mijn kind, mijn allerkleinste kind die

briljant van de ene oever naar de andere springt en mij nu moet
beschermen in plaats van ik hem en ik moet

kijken wat hij doet zoals bij de torens die hij vroeger blok voor blok
hoger maakte en die – tot mijn verbazing – nooit vielen.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑