Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (page 2 of 440)

de volgorde willekeur

De stad die al weken onrustig is, gonst en protesteert, een vrouw
die schreeuwt tegen een winkelier dat het godgeklaagd is, deze
winstderving, dit nodeloos verspillen van

gemeenschapsgelden, dit geen keuze hebben, dit feestje voor een
afscheidnemende burgemeester, laat hem toch gewoon oprotten,
mijn stad, voert hekken en zand aan, plaatst

nieuwe borden, waarschuwt, stuurt folders en vrijwilligers, wappert
met nieuwe vlaggen waarop dezelfde fiets als die nu op een sokkel
verheven bij het station uitnodigend de weg wijst,

stadsomroepers die tot ver kunnen schreeuwen, kermisvolk, markt-
koopman, Europees! 2019!, scherpt haar lieflijke straatjes aan, zet
zichzelf in haar bochten scherp en sluit rond

mijn huis het parcours aan op de buitenwegen, kinderhoofdjes, lege
weilanden en aarzelend overstekend wild zodat we vanaf morgen
alleen nog het zoevend geluid zullen vernemen van

een overmoedig peloton, dat in felle kleuren en begeleid door agenten
die parmantig hun conditie testen, de bewoner een claustrofobisch
genoegen zullen geven en een scherp gevoel van tijd.

groter dan anders

Dat wat ik doe is nog steeds oefening, hier staat het, kijk maar.
Ik schrijf niet echt over liefde of verlangen of het

uitblijven van dat alles, ik spring over afspraken en vergeefsheid
heen, loop met een boogje langs alle

attributen, gooi ballen in de lucht en vergeet ze te vangen, ach als
je maar je best doet, zou iemand zeggen.

Dat wat ik doe is nog steeds niet mijn best, luister maar, hier komt
het. De zinnen die me laat invallen en op

een geel briefje op tafel geplakt worden, staan niet erg gelukkig te
zijn in het gedicht van de ochtend en toch

perfectioneer ik ze niet. Ik ben de dichters zat. Hangend over de
eigen handen is de volgorde willekeur.

Alles is een smeekbede en toch ook weer niet. Schrijven is omgaan
met mezelf, wakker worden met een boodschap.

boven de rest van de wereld

Op een dag zat hij aan tafel en wees naar de kast er tegenover,
de deur piepte en ik liet de inhoud zien. Een van

de schriftjes nam ik uit de volgorde en hij las voor, jaartal niet
noemend, wel de onrust die ik ervoer. Zijn

grote hand lag op mijn woorden zoals die op mijn arm lag of
op mijn rug, licht duwend, en zijn mond bewoog

even traag als bij het afscheid nemen. Dan bladerde hij verder
en nam nog een zin en pakte ik uit de volgende rij

een ander exemplaar. Hij at nooit aan die tafel en nam nooit
plaats tussen anderen en ook zei hij nooit

of iets goed was of af, de stem bleef van eenzelfde diepte. Het
leek alsof hij samenvatte wat een leven lang

onzegbaar bleef. Dan stond hij op en leek groter dan anders,
bewoog die hand en die mond en liet de deur open.

vogels vallen

Allerlei dieren rollen zich in de sneeuw op de stookplaats van
mijn vader, het achterste stukje land dat

afbreekt boven de rest van de wereld. Ik breng ze water met de
kruiwagen, het pad vol as, mijn moeder die me

roept maar onzichtbaar is, de God uit mijn jeugd afwezig. Bijna
voel ik de warmte van het vuur, eigenlijk

ben ik bang voor de beesten. Die droom wordt gevolgd door
een andere, ik noteer ze maar kan ze terughalen

zonder die aantekeningen te lezen, het is als het geschreeuw
door de dunne wanden heen, bloemen van stof

die bewegen en in de nacht zich openen. In de ochtend een grauw
gelaat, soms de details van zijn avontuur, vaker

het stof van zijn dolen door de hel, niemand kon de dorst van mijn
vader lessen noch hem vertellen hoe hij lopen moest.

keurig afgesloten

Ze hoorde mijn stem een keer, ergens op de achtergrond, en had
gezegd hoe jong ik klonk, de lijn zonder ruis blijkbaar,

en hij had gezegd ‘ja jong’, niet sexy, uitdagend, manipulatief
of altijd in zijn hoofd en ik had gedacht aan dat

‘jong zijn’ dat bijna ongemerkt voorbij ging. Nu staat er alleen
een berichtje op dat kleine scherm dat zichzelf zwart

omlijst, ze is overleden, heeft hij getypt, gisteren. De woorden
veel te groot voor dit kleine medium, ik zie geen

vogels vallen van een denkbeeldige lijn, mijn kleinzonen grijnzen
zodra ik niets doe, de wereld is onbestaanbaar

en tegelijkertijd de beste verblijfplaats. Ik denk niet aan hem, ik
denk aan haar en hoe vaak ze weggedrukt is,

verruild en verplaatst, gerustgesteld en besproken en hoe ik nooit
haar heb horen schreeuwen dat ik altijd jong bleef.

dat bijna te lang durend moment

Het was beslist geen zweven, toch zat er even uitstel in de
beweging alsof inderdaad nagedacht was of moest

worden, de handen geplaatst konden en het gezicht afgewend
en de ogen gesloten, dat vooral. Van te voren

leek er een lasso geworpen om de benen, de rest nog vrij maar
niet meer in staat tot, en alles kwam met een

enorme klap zo onder mijn raam terecht terwijl toch gewoon
de voordeur genomen was, keurig afgesloten.

Een man kwam aanfietsen en zei dat ze niets aan hem had, hij
bleef staan zonder af te stappen en had het over

gebrek aan diploma’s maar ze kon beter haar broek uitdoen,
dat wist hij wel. Zou u denken, zei ze nog, verlegen

met de situatie. Ze was al opgestaan, controleerde in gedachten
alle onderdelen en groette hem. Ze fladderde.

je moet je focussen

Dat moment, dat bijna te lang durend moment, voordat hij bij je
komt, het lijf dampend en hier en daar nog nat, slordig

bovenop je gaat liggen en adembenemend heet is en precies past
en dan net daarvoor: weten dat hij er is, zich wast

in de ruimte achter de deur, zich nauwelijks de tijd gunt zich af
te drogen, het raam vergeet te openen zodat

de stoom alvast je kant opkomt, nooit zingt maar proest en hoest
en hoe hoog de temperatuur is van het water, weten

dat hij er is en zich op je zal voegen maar niet zeker weten of het
gebeurt, dat ogenblik in de ruimte, de gang

leeg nog, vol van een verwachting die gniffelend in de lakens
schuilt, stil moet zijn voor de kinderen en tegelijk

zo uitnodigend mogelijk en altijd herhalend hoe gelijk onze lengtes
zijn, ons verlangen alvorens zij zich oplost in de nacht.

hoe ik mezelf moet terugvouwen

Dames de B. en Z. zitten in de hal al te wachten, handen in hun
schoot. Mevrouw de B. zou later zeggen dat ze geen

idee had waarop maar ‘zij daar’, wijzend op mevrouw Z., nam
haar zomaar mee en gelukkig ook maar, stralend heeft

ze het over gezelligheid en de enkele goede dag die ze heeft,
vandaag! Na een kwartier moet ze huilen, het

is allemaal niet meer zoals het was en dat gaat gepaard met lange
uithalen, open mond en wegzakken in haar stoel.

Je moet je focussen, zegt mevrouw K., op dat wat wel leuk is en
dat doet de hele groep, ogen bijna dicht of priemend

in mijn open boek en ik doe natuurlijk hetzelfde. Het zijn mijn
vrienden geworden, ze kennen mijn vader, de heer

T. weet zelfs hoe het huis eruit zag waarin ik woonde voordat
ik dat deed en mevrouw V. deelt met mij haar kind.

nog een zonnetje

Onder tafel ben ik opeens veel te groot om me te verstoppen en
toch duurt het even voordat ik gevonden word.

Kletsende voetjes rennen langs me, ik schud wat aan het kleed
op tafel, geschater volgt na zijn vragen waar of ik

toch ben en het handje dat aarzelend alles opzij schuift. Opeens
ook wil ik helemaal nooit meer dat verstopplekje,

drukt het tafelblad op me, staan alle stoelen grimmig naar me te
kijken en weet ik niet meer hoe ik mezelf moet

terugvouwen om dan eindelijk weg te kunnen rennen. Gegiechel,
kleine armpjes om me heen, dan hij weer,

een bobbel achter het gordijn, plakkerige haartjes in een doos,
zogenaamd plat op de bank, adem inhouden. Dan

een aanloopje, armen wijd zoveel als ik van hem houd, achterover
vallen, nog een keer, this this this much.

lades die diep en leeg zijn

Je zou hier niet kunnen liggen, niet bovenop de warmte en ook
nog eens bovenop mijn lijf, je zou je niet

kunnen bewegen, alles zoveel zwaarder en tegelijkertijd zo zonder
betekenis. Handelingen worden zinloos bij

temperaturen als deze. Het lichaam verdraagt slechts een puntje
laken en je zou klagen over tocht, de wind die

opsteekt en de boomhut doet schudden, je dromen nachtmerries
door het klapperen van de gordijnen, je zou

stemmen horen in het gerommel en je hoofd is al zo vol. Niet dat
ik het me niet voorstel. Ik zie druppels zweet

vallen en volg het spoor en wapper met mijn hand en tover koele
vingers die totaal overbodig nog een zonnetje

tekenen op je flank. Je zuchten is als klagen. Er zijn vliegen, zou
je beweren, maar ik heb ze allemaal al teruggestuurd.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2019 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑