Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Auteur: alja (pagina 2 van 411)

“Die honger ben ik nooit meer kwijtgeraakt.”

“Die honger ben ik nooit meer kwijtgeraakt.”

de gewenste positie

Het onderwerp is uitgesleten zoals de handeling, glad als
een steen die te lang onder een miezerend straaltje

water heeft gelegen, met eenzelfde lichte glooiing waarmee
de rug overgaat in de bilpartij. Om te strelen

zo mooi en toch niet meer de begeerte opwekkend die het
vroeger deed. Ze ligt daar maar. Anderen

zien haar eerder, niet dat hij niet kijkt maar op het netvlies
staan voorgangers en niet eens keurig op een

rijtje en wat doet buurvrouw K. daartussen, zijn moeder of
het meisje in de melkwinkel van D., die nu

natuurlijk allang dood is. Alleen die beelden blijven, hij
schat zichzelf veertig of misschien twintig, kijk

hij had nog die enorme krullen en let op dat nonchalante
waarmee hij op haar ligt alsof ze er altijd zou zijn.

hij die zijn mijter verliest

Langer dan menig minnaar maar met dezelfde gretigheid houdt
hij mijn hoofd tussen zijn handen, duwt het licht

in de gewenste positie, flitst met zilveren vingers, zachte doeken,
warme borstels waar zij slechts kooswoordjes hebben,

natte tongen, haastige trekken. Waar hij mij in geur en zachtheid
wikkelt, rollen zij mij af, de lucht bijna bedorven,

waar hij me veilig houdt, om me heen lopend als een trotse eigenaar,
is overgave zoveel vanzelfsprekender, overleg ook.

Hem vraag ik of het goed is, hij hoeft slechts mijn ogen te zoeken
in de spiegels tegenover, het zilver te herschikken en

de stoel te draaien. Alles wat er van me achterblijft, veegt hij in
een hoek met behoedzame lange slagen terwijl

nog dagen daarna mijn haren licht gebogen mijn lijf doen dansen,
langer dan mening minnaar doet.

dat stukje tijd

dat stukje tijd

Mevrouw N. blijkt niet dood, ze rolt de zaal binnen in een
glittertruitje en rode nagellak, handen gespreid op

haar aanzienlijke benen, het gezicht zo wit als een bepoederde
gravin uit de veertiende eeuw. Ze tilt

minzaam haar armen hoog als ik haar begroet maar aarzelt
een hand te geven en haar ogen zien iets heel

anders dan dat meisje dat versjes leest over een Goedheiligman
die schipbreuk lijdt en zijn mijter verliest. Ze

doet ze dus maar dicht en oefent het geluid van de storm, zo’n
boot vergaat niet zomaar, en de twee vrouwen

rondom haar doen al even snel mee. Het wordt heel gezellig
zo en niemand die vragen stelt, natuurlijk kan Sint

zwemmen en is het hun vader die zich verkleed heeft. Ze hebben
trouwens nooit cadeautjes gezien, zeker verzopen?

door de opening

Op een gegeven moment is de tijd op. Er verschijnt een in
zijn handen klappende meester op de stoep van

het grijze schoolgebouw en je propt je in de keurige lijn
die zich op het plein vormt en loopt naar

binnen. Zijn handen raken je in het voorbijgaan niet aan.
Gelukkig mag je weer iets leren, hoef je niet

met benen wijd knikkers op te vangen, voorovergebogen
handen in je rug te voelen en op je beurt te

springen, gelukkig hoef je niet nogmaals het slingerend
touw te ontwijken, achter die deur is het altijd

veiliger voor jou. Toch zou je nu de steeg in willen schieten,
achterop de fiets bij de grootste pestkop desnoods,

gaten willen vallen in je knieën om alleen maar te ontkomen
aan die markering in dat stukje tijd.

met tegenzin

Het weer is te slecht, zei ze, je kunt beter daar blijven terwijl
het koud noch nat was, niets dreigde, de lucht zelfs

bedrieglijk leeg en zij een zomerjurkje droeg waarin nauwelijks
nog de kreukels, ze had alleen maar

het hoofd hoeven uitsteken en door de opening om in de stof
te glijden die dansend langs haar ging. Hij

zei niets. Er zou altijd een waarschuwing volgen zoals moeders
die maken of de man op de radio die waterstanden

opdreunde, filevorming, omleidingen en hoe hoog de maan en
hij zou iedere keer rekening houden met

de temperatuursomslag in haar lijf. Zij nam een vest uit de kast
en deed alsof het herfst was, ze droeg binnenshuis

een muts, ze stapte in laarzen rond alsof de zondvloed gekomen
was terwijl hij op het droge naar de zwaluwen keek.

alleen een verzinsel

Er stond een witte fiets in de voortuin van het vorige huis,
onbeheerd, modern en simpel en pas toen

ik fietsen ging, merkte ik de stang tussen mijn benen. Ook
ik liet hem onbeheerd achter tot iemand me zei

dat dit de fiets van mijn vader was, dat hij met opzet daar
had gestaan en dat het een teken was dat ik

hem moest vinden, zoeken had ik niet eerder gedaan. Ik
wilde zeggen dat ik toch allang een vader had

gehad en hoe het dan met mijn moeder zat maar ik kocht
een ketting en legde het ding vast. De tuin

overigens veranderd in een fietsenstalling alsof het een
schoolplein was en iedereen met tegenzin

naar school, stiekem rokend en het verkeerde vriendje
knuffelend, de struiken uiteen geduwd.

en toen deed ik dit

stills uit het op handen zijnde filmpje van de presentatie van de bundels van Karel Wasch en mij, Amsterdam, 3 november 2018, W. natuurlijk

en toen deed ik dit

De akkers werden leeggeroofd door ijverige, voorover
bukkende kinderen die tegen een volle krat

een vuistvol kleingeld kregen waarvan de helft in de metalen
spaarpot verdween en de andere op de toonbank

van de kleine kruidenier in het dorp die toverballen, slierten
drop en kauwgum met filmsterren verleidelijk

presenteerde. Er was een jongen met de achternaam van een
bekende dichter terwijl de poëzie zoek was of

alleen een verzinsel van mij terwijl ik de horizon afliep en
zijn spierwitte haar zocht, hem riep hoeveel

ik al verzameld had en hij recht overeind ging staan en altijd
meer had en ook eerder voor die kassa stond.

Maar hij wachtte, ruilde de beroemdheden, rode wangen die
rijmden op het verlaten van het dorp, eens.

Oudere berichten Nieuwere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑