Het goedemorgen klinkt soms pas tegen de avond. Het niemand
spreken behalve de ene caissière die,

zegt ze, al veertig jaar op de verkeerde stoel zit. Die ene buurman
die nachtdiensten draait en altijd uit zijn ritme

is. Het kind dat net teruggevlogen is uit een andere tijdszone en
nog zo moe. Het grapje van een lief die nooit

iets met ochtenden had en hoezo goed? De stad ontwaakt terwijl
hij nog slaapt, honden lopen al buiten, deuren

piepen. Boe zeggen vanachter het douchegordijn. Palmen op een
witte achtergrond terwijl de warmte verdwijnt.

Het goede voorbeeld geven maar dan morgen pas. Graag iets met
warme broodjes, zachte eitjes, zoete jam.

Armen die gespreid worden, een engel spelen maar dan zonder de
sneeuw, zingen zonder wijs te houden maar dan nu, niet straks.