Nu de boomhut weer zwaait en het haar oplicht van de ene naar de
andere kant, in de mond terecht komt en in de ogen,

nu de kou bijt en de lichten in de straat defect lijken, is het huis van
toen, de hoogte van de muren, de ouderwetse

deurknoppen, de koperen bollen in de eindeloze gang, het kunnen
rondrennen van de ene naar de andere kant,

het heimwee compleet, een status die we nooit meer bereiken, iets
dat het enige lijkt dat ons kan behoeden en omsluiten,

inclusief het pianospel van de buurman met zijn meterslange boeken
en het vorkje bij het gebakje op het Wedgwoodschoteltje,

de poes die op schoot springt en zijn welwillend gesprek hoe we niet
alles moeten accepteren maar moeten strijden voor

gelijk en kijk, trek dat jurkje uit en stop het tussen de spleten, strooi
broodkruimels in de kieren van de vloer en je vingers in de oren.