Omdat ik voortdurend uit het raam keek, deed ik er langer over
en zodoende zat ik pas bij hem achterop, hem

stevig vasthoudend, zo tegen het einde van het schooljaar, mijn
handen gevouwen voor zijn buik. Korter deed ik

over het onthouden van de route maar wat hij zei herinner ik me
nog altijd, zo half tegen de wind in en naar achteren,

ik mocht hem altijd bellen als ik me alleen voelde, er was maar
een iemand met zijn achternaam in het telefoonboek,

en nu ik zou willen bellen, is hij er niet meer, ziek geworden en
doodgegaan in een paar weken tijd terwijl ik nog steeds

daar achterop zit en hem stevig vasthoud en misschien zelfs even
mijn ogen dichtknijp en bang ben in de bocht en toch

me veilig voel voor zolang als het ritje duurt, zeventien zijn we
en leven duurt nog eindeloos lang.