De loop van het water volgend, de dunne takken daarboven,
de pont die twijfelend aanlegt, de zon en haar

stralen, pauze nemend alvorens, voorbijgangers die groeten,
lunchpauze voor een stad, de wijzers van de klok

in de verte, pas als ze slaat opstaan en doorlopen, dijen koud
en billen stijf, tranen over rode wangen,

handen die zich schuilhouden in de mouwen van haar jas, dan
omdraaien, weer terug over het water, een zangerige

groet, de treden tellen van elke trap zoals de stappen afgemeten
op de zwarte ruimte tussen het wit, je herinneren

hoe je een keer onder de bruggen doorliep met een hand in je
hand en honden tegenkwam en glibberige hellingen

en bloemen op een onverwachte plek en dan alle bellen en toeters
tegelijk horen als je omhoogklauterde zoals nu.