Om alles te laten liggen, de schoenen aan te trekken en hem te
ontmoeten, van ver dat lange lijf te zien aankomen,

het bankje achter in het park, koffie voor hem te bestellen en zijn
hand te houden, te luisteren naar onze gelijkenis,

dat heb ik allemaal van jou, beweert hij, bijna niet stil te kunnen
zitten omdat we alles wel willen doen, alles, om

hem gelukkig te maken, gezond, vrolijk, met hem mee te lopen
dwars door de stad, zijn fiets aan de hand en bijna

niet tot aan zijn schouder te komen, op de tenen te moeten staan
voor een kus, iets lekkers te kopen voor hem voor

later, o om hem los te laten vervolgens en dan morgen weer, vol
zorgen en vol gedachten over dat

gelijken, dat diepe daar ergens binnenin, dat zwart van een ochtend
en van bijna het andere seizoen terwijl we glissen over de

rode bladeren.