De brief op dat dunne papier dat de harde aanslagen doordrukt en
bijna onleesbaar maakt. Een oude typemachine

uit de kringloop en herinneringen aan toen, met pen latere correcties,
kinderpostzegels op de eveneens getypte enveloppe.

Naar beneden hollen en post vinden. Bijna hetzelfde als met drie
dichters een gedicht schrijven, steeds verder gaan,

hoe zag ons huis er vroeger uit, de tikkende takken tegen het raam,
wat speelde je als kind. Postbode, een tasje dwars

over je lijf, een koekje erin verstopt. Blij worden van die aandacht.
Tong uit je mond bij het antwoord, een hartje onder

de zegel. Nu jij morgen weer. Op het scherm dezelfde warmte, alleen
geen lokjes haar, geen snippers waarmee je

een puzzel kon leggen, geen mondje van lipstick. En veel sneller, te
snel soms. Onhoorbaar ook terwijl je typend zingt.