Zijn hoofd door het raam, de lippen gesloten en smal, de ogen streng
en dan langzaam nee schuddend en weer

verdwijnend, alsof hij onder water drijft en zo nu en dan de bodem kust,
mijn hand tegen het ruitje tikkend terwijl de deur

dicht blijft terwijl nog niet zo lang geleden hij stralend alles zou hebben
geopend, mij naar binnen trekkend, mijn hals gevonden

had en de warmte erin en verbaasd en blij mij op een stoel had gezet en
koffie zou hebben gemaakt, de slechtste koffie ooit,

en meteen was gaan praten, en uit mijn tas dan iets lekkers dat doormidden
moest worden gesneden en dan met de handen

opgepeuzeld alsof hij al dagen niet gegeten had, en alle kranten opzij
schuivend en boeken van de stoel eindelijk ruimte had

voor mij, voor mij, en dan zijn overhemd rechttrok dat toch weer straks
scheef zou zitten en poetsend met zijn mouw en dan zijn mond open.