Huilen, lachen, zegt het meisje in haar telefoon, het zijn allemaal
stromen van energie. Haar hondje plast tegen

de lantaarnpaal en draait zich met het rafelig touw vast. Ik wil
haar op haar schouder tikken zodat ze naar het

beest omkijkt maar doe niet. In de supermarkt reik ik te dicht
achter een schappen vuller naar het bovenste,

hij schrikt en zegt boos dat hij me voelt ademen in zijn nek. Het
is alsof ik nooit aankom op de juiste plek terwijl

iets me uit het lood slaat, ik doe de hele dag over zijn boosheid.
Weer later maaien drie oranje jongens met veel

kabaal de planten weg tegen de muur beneden, ik zie ze pas als
ze pauzeren bij het voetbalveld en zwijgend roken.

De keurige hopen verdwijnen in een windvlaag. Een van de jongens
staat op en loopt er kalm achteraan, de kruiwagen omgekeerd.