Om met mijn handen tussen de knopen van zijn overhemd te gaan,
de vingers tussen de gaten, het kledingstuk te laten

vallen, mezelf voor zijn voeten, om zacht te strelen en te kijken
naar zijn reactie, de warme huid tegen de mijne,

om een bed te bouwen van alles wat op de grond belandt, een wereld
die precies om ons heen past, om hem te doen zwijgen,

de pupillen van kleur te zien veranderen, om niet langer alleen maar
te kijken maar hem te laten passen, niet te

verliezen, vast te houden tot, maar we zitten naast elkaar, breken het
warme brood en praten en pas als ik de deur uitloop,

duwen we ons tegen elkaar en voelen zodat de hele treinreis lang ik
terug wil om hem uit te kleden, te zien vallen

op mijn lijf, mijn handen in zijn krullen, de zijne tussen mijn benen,
mijn haar dansend over zijn buik, de grond het bed.