We zouden op elkaar moeten wachten maar glijden langs elkaar
heen, een bijna-botsing, een tas die haakt achter

een stapeltje in de winkel, een knikje, een mandje tegen een buik,
en een lantaarnpaal in de verte als houvast. We zouden

elkaars hand moeten grijpen maar laten los nog voordat we oversteken,
het spoor nog vers, de schoenen nog droog, de krant

op de vloer thuis, de jas over de kachel. We zouden elkaar moeten
helpen, achter elkaar de trap op met een lichte duw

en hij dan de zwaarste boodschappen en ik met een giechel de sleutel
in het slot en dan armen om het lijf slaand en op de

blauwe dijen en blazen op de vingertoppen of om de koffiemok heen
zodat ze warm en even later onder de kleren voelen of

je nog leeft, of je toevallig daar ook bent, wat de weersverwachting
is voor morgen maar alles wat ik hoor is ‘voorzichtig hé’.