Opnieuw is de overkant onzichtbaar. Als we met onze vingers van
de ene lichtbol naar de andere gaan, maken we

een nieuw kader, zien onszelf weerspiegeld in de ruit. Alleen rechts
vermeerderen de vlekken zich, glimmende ramen,

tussentijd is alle tijd. Geen hond op straat, de natte berm verdwenen,
de sloot de weg, de takken dun en zwart en dreigend.

Iets ruist beneden ons, de auto’s laten zich raden, een voor een ontdekken
we contouren, de krant uitgespreid op een tafel en

twee handen erboven. Geluid verandert, blijft hangen als een traag insect,
een vliegtuig met knipperend licht, gisteren is

vandaag, zij draagt streepjes, benen koud op elkaar, een verkenningstocht,
een woord dat wacht op het volgende. Een wolkje stoom

uit een beker, een gedachte vasthouden, warmte uit de mond, een blad
dat omgeslagen wordt, het leven dat we erbij verzinnen.