Er is een brief uit de toekomst, een jaartal dat al ingehaald is en
achterwege, we zijn onszelf voorbijgelopen en niets

is gegaan zoals hij stelde. Even lijkt het alsof hij stiekem mijn
huis binnen is gegaan en die brief tussen de oudere

epistels heeft geschoven als een bewijs achteraf van goede intentie
en aanwezigheid. Ik had niets gehoord, ik

herinner me niet dat hij zachtjes deed. Er is geen laatste brief.
Van sommigen maak ik een beeld dat ik doorstuur,

een kennismaking met de achterblijvers, het handschrift in al zijn
zwierig dansen onbekend. Niemand bleef zo lang

op als ik om de berichten onder de asbak te vinden, glad te strijken,
tegen het licht te houden. Het was nacht. Bijna

is het alsof ik opnieuw tegen hem aanlig, geen gevlij maar onderdeel
van een moedwillige poging het leven te beheersen.