Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: pappa (pagina 1 van 12)

de figuur naast haar

Een vriendin die het laatste woord had, vindt hem daar.
Door de stad gesneld nadat hij

even niets meer zei. Zijn trap opgestormd, zijn deur los,
zijn lijf uitgewaaierd over tafel. Ik stel

me voor hoe verbaasd hij nog kijkt of misschien nog om
het laatste grapje lacht, hoe mooi eigenlijk

de afwezigheid is van pijn, op die ene minuut na, tergend
afscheid, langgerekt bedoeld om

ons te sparen. Zoals hij reisde, weinig bagage, opeens, de
dag van vandaag altijd morgen. Ook

zitten we weer naast elkaar, het hout donker, de geluiden
gonzend, het glas geheven en beweert hij,

stelliger dit keer, hoe mooi mijn ogen zijn en het leven en
mijn vader en alle keren dat we elkaar zien.

het uitzicht bewaren

Ik zag haar fietsen als een ooievaar op hoge poten, de
vriendin van mijn vader. Ik herkende de

manier waarop ze fietste, met lelijke kuiten in een te
korte rok en te modieuze laarzen. Pas

toen ze naar de zijkant keek, herkende ik haar gezicht.
Daarna zag ik de uitgroei van haar haar, bruin

en grijs te midden van rood en de oude, veel kleinere,
figuur naast haar. Ik vroeg me af hoe

oud zij was en ik vergat hoe oud ik zelf was, ik ging
tellen. Even zinspeelde ik erop het

mijn moeder te vragen maar ik deed niet. Ik noteerde
het in mijn dagboek zoals ik

elke keer dat ik haar min of meer ontwaarde, het lijf
van mijn vader van me wegduwde.

tussen ons en het gebaar

Ik bracht hem het hart in borstplaat, karton, handgeschreven,
reisde naar hem met alle kinderen voor me uit, bij

temperaturen onder nul, in auto’s met minzaam zwijgende
chauffeurs, bij jolige zusters, met verzwaarde

benen, overslaande stem, geïrriteerde bezorgdheid en hield
altijd de afstand bij, de veranderingen tussen

haar en hem, de overeenkomsten tussen ons, de hoeveelheid
boeken als het teveel aan eten op het

volgeladen bord, de diepte van de kloof; ik bracht hem mezelf
en soms keek hij met waterige ogen in mijn

richting en knikte en vaak ook legde hij zijn enorme hand en
ergens halverwege ook wel en pakte en vaak

ook wel miste ik hem enorm maar nooit zoveel als de laatste
tijd waarin het hart alleen op mij wacht en ondeelbaar.

 

(mijn vader zou vandaag 97 geworden zijn, een leeftijd die
hij acceptabel vond)

met flutterig handgebaar

 

Ze wonen tegenover elkaar, twee kamers waartussen
een witte hal waarin ze hun rollators kunnen

keren en mij laten draaien, linksom, rechtsom zodat
ik net nog hun handen kan houden om

ze tegelijk beet te pakken en te vertellen over toen.
Dat lijkt althans de taak en ik neem het

heel serieus, zoals alles. Ik zie hen beiden maar iets
zorgt ervoor dat ze elkaar niet ontwaren,

ik hoor hun beider stemmen maar ze luisteren niet
naar elkaar en ik voel hun handen die

ze zelf niet meer uitwisselen. In mijn vaders grote
verdwaal ik opnieuw terwijl mijn mamma

venijnig knijpt, ik ben ontzettend moe van het staan
daar maar kan ze niet loslaten, tot nu.

je fantasie

De zang juf van de lange richt rechtstreeks het woord
tot mij in de opnamen, ze kent me nu bij naam,

zelf wil hij zijn sessies niet terugluisteren, ik bedenk
me hoe ze eruitziet omdat ik geniet van haar

vrolijkheid, haar complimenten aan mijn kind. Soms
blijft iemand onbekend, een stem die

een heel personage schept en bijna een familielid van
je wordt terwijl je niet weet wie ze is. Dat

heb je met echte familie ook. Maar wat zingt hij dan,
vragen ze, zoals ze er van uitgaan dat ik niets

doe, nou ja, dat schrijven deed je vader ook en hij had
inderdaad geen broodtrommeltje achterop

zijn fiets zoals de rest en ook floot hij niet en wat zat
er eigenlijk in die schatkist in de schuur?

Lang verzonnen wij met hen een onbezorgde toekomst
en deuntjes die je nooit vergat.

deze oefening

 

(tien jaar geleden overleed mijn vader op de 18e verjaardag van D., deze foto werd gemaakt in 1967 door mijn toen 18 jarige broer; D. fietst elke dag langs dit spoor naar zijn werk)

 

 

De foto zou heel anders geweest zijn als hij naar me toe
gelopen was, als de wat onhandige grijns die

hij zeker op zijn gezicht heeft, de spottende ogen en de
juiste nonchalance en de onverschillige wijze

waarop, voor mij en voor ons bedoeld was, als hij in plaats
van afwezig aanwezig was geweest en

ook als hij niet deze weg genomen had waar in zijn fantasie
het dorp ontsloten werd en de wereld zichtbaar,

zoals hij voor ons tenslotte bereikbaar zou zijn maar dood
dan al en koud en eindelijk en voorgoed

en opnieuw de liefste. Groot hing dit aanstaande vertrek
op mijn hoge witte wanden eens, een huis waarin

ik me veilig voelde, gevuld met kinderstemmen die voor
altijd bij me bleven en dromen die we deelden.

tot elkaar veroordeeld

Als ik in het ouderlijk huis de sleutels draai in alle
deuren, is er zoals in elke droom aan

de andere kant een figuur die bijna eerder trekt aan
de deurknop en binnendringen wil zoals

er beweging is in de struiken en de bomen buigen
alsof het voortdurend stormt en het fruit

verrot op de velden ligt, dan ga ik van achteren naar
voren en kom langs haar kwetsbare zijde

waar ik de garagedeur wijd open vind, mijn vader
in overal en op klompen sleutelt aan een

zwarte Volvo-sport, nu met racenummer, en mijn
grootvader op het tegelplein staat met de

armen in de zij en weet ik niet of dit geruststellend
dan wel verontrustend is, zij wel.

het bloot van jezelf

 

Op de plek waar hij zat ligt zijn kussen en als een vergeten
jurkje ligt daarop mijn bundel en door

de foto op de omslag ben ik meteen terug op het erf waar
wij speelden, niet tegelijkertijd maar wel

de hoeken en nissen delend, de spinrag en damp, beiden
uitgesponnen boven de dierenlijven, de

vieze muren, het opstapje naar de keuken waarlangs de
blubberlaarzen en klompen, de geuren van mest

en schuimende melk, en toch zit ik tegenover hem en heb
het over niets, hij is een rondje om nog, hij

zal zo wel verschijnen maar zij huilt en zegt dat het zo leeg
is en dat is de reden dat ik zwijg, natuurlijk, hij

is misschien wel bij je vader, zegt zij nog en onhandig zie
ik ze de koeien uit het land halen, hun petten scheef.

schaterend over een vergrijp

Op het water staat een legertruck met Duits kenteken. De weg
is even winters en stil als uit mijn jeugd. De witte

kattenrug wordt bestuurd door mijn laatste lief, ik zit op de
achterbank en leun met mijn armen over de

stoelen en kijk naar rechts terwijl links zich schoten vormen.
Ik probeer het gesprek gaande te houden maar

hij antwoordt niet meer en als ik mijn hoofd draai, zie ik dat
hij geraakt is en niet meer leeft. Ik klim over

de stoelen, duw hem opzij, probeer me te herinneren hoe ik
remmen moet, hoor mezelf hardop instructies geven,

rijd de auto op een parkeerplaats en val uit de deur. Al die
tijd heeft hij zijn ogen open. Misselijk blijft

de slaap weg, de buurman schreeuwt, kou trekt door het open
raam en dan die licht zilveren bevroren plas water

waarboven in de ochtend zich rood de warmte laat vallen en
het vertrouwde motorgeluid van een Volvo.

het patroon van mijn jasje

Mijn jongere ik is een zusje dat langskomt, druk pratend en
van de ene voet op de andere en kasten openend die

dicht zouden moeten blijven, met haar kleverige hand langs
de planken alles verplaatsend nadat ze

een voor een attributen pakt en giechelend omhooghoudt. Je
vertrouwt haar niets toe maar ze is je voor, dan

springt ze op je rug en blijft hangen, het blauwharig wezen,
en fluistert in je oren en niets wil je weten terwijl

zij alles weet, ze herhaalt je de vluchtpogingen en hoe vaak
je echt verdween, ze heeft het over man nummer

zeven en noemt de andere drieëndertig morgen want ze is terug
voordat je adem kunt halen en je mist haar

zodra ze even slaapt, het hinderlijke is dat ze gelijk heeft en je
kent, ze heeft dezelfde vader namelijk en ze is vrouw.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑