Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: pappa (pagina 1 van 12)

met flutterig handgebaar

 

Ze wonen tegenover elkaar, twee kamers waartussen
een witte hal waarin ze hun rollators kunnen

keren en mij laten draaien, linksom, rechtsom zodat
ik net nog hun handen kan houden om

ze tegelijk beet te pakken en te vertellen over toen.
Dat lijkt althans de taak en ik neem het

heel serieus, zoals alles. Ik zie hen beiden maar iets
zorgt ervoor dat ze elkaar niet ontwaren,

ik hoor hun beider stemmen maar ze luisteren niet
naar elkaar en ik voel hun handen die

ze zelf niet meer uitwisselen. In mijn vaders grote
verdwaal ik opnieuw terwijl mijn mamma

venijnig knijpt, ik ben ontzettend moe van het staan
daar maar kan ze niet loslaten, tot nu.

je fantasie

De zang juf van de lange richt rechtstreeks het woord
tot mij in de opnamen, ze kent me nu bij naam,

zelf wil hij zijn sessies niet terugluisteren, ik bedenk
me hoe ze eruitziet omdat ik geniet van haar

vrolijkheid, haar complimenten aan mijn kind. Soms
blijft iemand onbekend, een stem die

een heel personage schept en bijna een familielid van
je wordt terwijl je niet weet wie ze is. Dat

heb je met echte familie ook. Maar wat zingt hij dan,
vragen ze, zoals ze er van uitgaan dat ik niets

doe, nou ja, dat schrijven deed je vader ook en hij had
inderdaad geen broodtrommeltje achterop

zijn fiets zoals de rest en ook floot hij niet en wat zat
er eigenlijk in die schatkist in de schuur?

Lang verzonnen wij met hen een onbezorgde toekomst
en deuntjes die je nooit vergat.

deze oefening

 

(tien jaar geleden overleed mijn vader op de 18e verjaardag van D., deze foto werd gemaakt in 1967 door mijn toen 18 jarige broer; D. fietst elke dag langs dit spoor naar zijn werk)

 

 

De foto zou heel anders geweest zijn als hij naar me toe
gelopen was, als de wat onhandige grijns die

hij zeker op zijn gezicht heeft, de spottende ogen en de
juiste nonchalance en de onverschillige wijze

waarop, voor mij en voor ons bedoeld was, als hij in plaats
van afwezig aanwezig was geweest en

ook als hij niet deze weg genomen had waar in zijn fantasie
het dorp ontsloten werd en de wereld zichtbaar,

zoals hij voor ons tenslotte bereikbaar zou zijn maar dood
dan al en koud en eindelijk en voorgoed

en opnieuw de liefste. Groot hing dit aanstaande vertrek
op mijn hoge witte wanden eens, een huis waarin

ik me veilig voelde, gevuld met kinderstemmen die voor
altijd bij me bleven en dromen die we deelden.

tot elkaar veroordeeld

Als ik in het ouderlijk huis de sleutels draai in alle
deuren, is er zoals in elke droom aan

de andere kant een figuur die bijna eerder trekt aan
de deurknop en binnendringen wil zoals

er beweging is in de struiken en de bomen buigen
alsof het voortdurend stormt en het fruit

verrot op de velden ligt, dan ga ik van achteren naar
voren en kom langs haar kwetsbare zijde

waar ik de garagedeur wijd open vind, mijn vader
in overal en op klompen sleutelt aan een

zwarte Volvo-sport, nu met racenummer, en mijn
grootvader op het tegelplein staat met de

armen in de zij en weet ik niet of dit geruststellend
dan wel verontrustend is, zij wel.

het bloot van jezelf

 

Op de plek waar hij zat ligt zijn kussen en als een vergeten
jurkje ligt daarop mijn bundel en door

de foto op de omslag ben ik meteen terug op het erf waar
wij speelden, niet tegelijkertijd maar wel

de hoeken en nissen delend, de spinrag en damp, beiden
uitgesponnen boven de dierenlijven, de

vieze muren, het opstapje naar de keuken waarlangs de
blubberlaarzen en klompen, de geuren van mest

en schuimende melk, en toch zit ik tegenover hem en heb
het over niets, hij is een rondje om nog, hij

zal zo wel verschijnen maar zij huilt en zegt dat het zo leeg
is en dat is de reden dat ik zwijg, natuurlijk, hij

is misschien wel bij je vader, zegt zij nog en onhandig zie
ik ze de koeien uit het land halen, hun petten scheef.

schaterend over een vergrijp

Op het water staat een legertruck met Duits kenteken. De weg
is even winters en stil als uit mijn jeugd. De witte

kattenrug wordt bestuurd door mijn laatste lief, ik zit op de
achterbank en leun met mijn armen over de

stoelen en kijk naar rechts terwijl links zich schoten vormen.
Ik probeer het gesprek gaande te houden maar

hij antwoordt niet meer en als ik mijn hoofd draai, zie ik dat
hij geraakt is en niet meer leeft. Ik klim over

de stoelen, duw hem opzij, probeer me te herinneren hoe ik
remmen moet, hoor mezelf hardop instructies geven,

rijd de auto op een parkeerplaats en val uit de deur. Al die
tijd heeft hij zijn ogen open. Misselijk blijft

de slaap weg, de buurman schreeuwt, kou trekt door het open
raam en dan die licht zilveren bevroren plas water

waarboven in de ochtend zich rood de warmte laat vallen en
het vertrouwde motorgeluid van een Volvo.

het patroon van mijn jasje

Mijn jongere ik is een zusje dat langskomt, druk pratend en
van de ene voet op de andere en kasten openend die

dicht zouden moeten blijven, met haar kleverige hand langs
de planken alles verplaatsend nadat ze

een voor een attributen pakt en giechelend omhooghoudt. Je
vertrouwt haar niets toe maar ze is je voor, dan

springt ze op je rug en blijft hangen, het blauwharig wezen,
en fluistert in je oren en niets wil je weten terwijl

zij alles weet, ze herhaalt je de vluchtpogingen en hoe vaak
je echt verdween, ze heeft het over man nummer

zeven en noemt de andere drieëndertig morgen want ze is terug
voordat je adem kunt halen en je mist haar

zodra ze even slaapt, het hinderlijke is dat ze gelijk heeft en je
kent, ze heeft dezelfde vader namelijk en ze is vrouw.

de juiste gelegenheid

Dus hij is nu naar de overkant en hij ging in volle overtuiging
dat zijn Heer op hem wachtte en kijk, ik

zie zijn zwaaien en zijn lach en hoe hij van onder de tafel
opstond en vertrok en zijn hoofd niet stootte en het

taartje niet liet vallen, de rest aan mij liet, ik zie hem gaan. Dus
hij wiens krachten langzaam vervielen, bij

wie alleen de dromen enger werden, stuurt mij binnenkort een
routebeschrijving en een kaartje met vrolijke groeten

en wel thuis. En tot zo lang droom ik nog mijn ergste dromen,
maak mijn lakens nat, print mijn afdruk in

de zachtste bedding en schreeuw genade en help en red ons en
verdomme waarom ben jij niet hier en raak

in de kluwen verward alvorens ik van de rand op de grond stoot
en de deur op een kiertje laat voor het licht, het licht en Hem.

 

(neef K. nogmaals)

hoe jammer het is van die broodjes  

Zij verweet hem het schrijven. Ze nam hem het
gemak kwalijk waarmee hij zogenaamde

feiten overdreef en als het niet echt was gebeurd,
mocht hij het niet zeggen. Aan

de andere kant gaf ze hem de schuld van alles
dat er plaatsvond, dan zweeg hij.

Zijn schrijven was als al het schrijven een stille
wens tot communiceren, geen eerbaar

beroep misschien en de waarheid een selectieve
greep uit de wereld. De vier

zinnen die zij maakte waren heel behoedzame
pogingen, al kon je de inhoud

zingen en daarbij, van het ene op het andere been
gezet, tot over de landsgrens komen.

grapjes over de lengte en de inhoud

Opnieuw wijst het systeem mij op een herinnering, het
netwerk hier is accuraat en doortastend:

wordt er een hand gevonden op een tafel, staan er bloemen
in bloei op het balkon, spint er nog een kat,

draagt een kind nog een hoedje, zon misschien in dit land,
schept mijn vader nog een veldje ingezaaid kruid

overbodig om en piekt mijn haar kordaat het verzet in, de
computer tingelt en meldt het mij. Ach, dat was

dus toen, we kunnen wel een taartje halen om het te vieren,
kijk nu toch eens hoe schattig zij hier

nog was en hij, hier, nog, was. Voortaan vertrouwen we
alleen nog maar op het systeem, wat weten we

nu zelf eigenlijk helemaal, die hand bijvoorbeeld lag eerst
gewoon in de onze en dat hoedje was van papier.

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑