Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: de stad (pagina 1 van 13)

die ene nacht in de berm

Hij zou gebeld hebben om te vragen of het nog wat was,
ik had maar geboft met het weer, de regen

bleef uit, was het echt leuker om een ander aan te kondigen
dan mezelf en liep dat eigenlijk in goede

banen, en ik zou dan antwoorden op alles dat het mee viel,
weer en aantallen mensen en concentratie en

gehalte van de gedichten en mijn stem neutraal houden
zodat hij niet jaloers zou zijn dat hij er niet was,

nooit gestaan had, nooit komen zou meer ondanks alle
rondjes om in de nacht, het oefenen van zijn

stem, het tweede gedicht in dertien jaar, en toch zou hij
horen hoe vriendelijk de ontvangst, hoe warm

de betrekkingen, hoeveel zoenen op beide wangen en nog
eens, en de laatste regel willen horen:

o hou van mij zoals ik van jou en dan weer terug, omarm
mijn zijn, wijs mij de route, ontvang mij.

wit gespikkeld en rood gezwollen

Bladeren gespreid als vingers, takken als armen,
overvol draagt zij het kleverig groen en

verbergt de vogels, zwart, de huizen, rood, de
harde geluiden, wit, de hemel, leeg. Onder

haar het natte gras en de restanten van ons verblijf
hier, logeerpartijen rond de stam, overleg

met de dieren, uitwisseling van geuren. Ze wuiven
langzaam mijn kant op. De kinderen spelen

in de huizen, regen in hun verlaten attributen, de
laarsjes, geel, uitgeschopt bij de achterdeur.

Rechte lijnen grijs die dwars door bloesem en
eigenwijze moeders lopen, licht geopend

als een paraplu die, roze, aan het hek hangt, hun
sigaret het offer naar boven, handen hoog.

in dezelfde beweging

De stad verdeelt zich door stippellijnen, krijtstrepen, vlaggen,
tenten die de ene straathoek met de andere omarmen,

halve pogingen tot aanleg van bar, open keuken, picknickplaats,
afgeschermde plashokken, normale routes, ingang

van mijn oude straat, de kabels elektriciteit van boom tot boom
en de stekker opnieuw in het stopcontact van

mijn oude buurman. Het zijn vooral de moeders die vierkante
centimeters bewaken alsof we nog onder de

Spanjaarden vechten, heringedeeld worden onder straffe hand
en uiteindelijk met veren en pek de nieuwkomer

verjagen. In de bomen hangen kleren, speeltjes voor het kind,
bungelend boven magnetrons, cassetterecorders,

rotan stoeltjes en het tafeltje van oma waarop de boeken van
vader met op het eerste blad een vergeten opdracht.

Het leven was nog nooit zo goed en goedkoop als daar: twee
oranje soezen bij het passeren van de wereld.

een bekende beginnersfout

De kleine brengt mij mijn eerste tafel terug: een korte, ooit
bijna witgeverfd grenen exemplaar waarvan de

zilveren ladeknop nog altijd een gelukspoppetje draagt, de
poten de nagels van een kat, het blad sporen

van een veertig jaar. Een aankoop voor mijn eerste kamer,
een weloverwogen besluit uit mijn jongvolwassen

zijn, precies passend tussen de hanenbalken van een ruimte
die maar net iets groter was en waarop ik,

zittend op het blad, met bungelende benen, in het straatje
onder mij de mensen telde en beschreef. Iets

dat natuurlijk zoveel kleiner lijkt nu: naar de wereld turend
alsof je haar zou begrijpen en

achteraf juist groter bleek: de afstand tussen mij en haar het
materiaal voor alle volgende jaren en plaatsen.

 


Alkmaar, 1979

het laatste stukje

Als je elke keer uit hetzelfde raam opschrijft wat je ziet,
vanuit dezelfde positie die je vader, je grootvader,

zij, de wereld zag en daar omheen dan het kader weghaalt,
het venster open, de meeuwen op hun

zilverwitte vleugelslag stil laat staan, de boten in hun
trage glijbaan voor anker, de schilder op het

hoekje met het penseel in de rechterhand bevroren, de
bomen in eeuwige bloesem, kinderen die nooit

van de kade vallen, fietsers die nooit hun doel bereiken,
haar roepend zonder dat ze je ooit nog hoort,

kun je denken dat alleen die wereld vanuit dat vierkant
veranderd is, niet jijzelf, niet zij, niet hen,

en dat als je je omdraait, je vrouw daar nog is, en je vader
aan tafel werkt en je grootvader met koffie wacht.

de mate van doorzichtigheid

Alle obstakels vermijdend in de stad, de knoppen die
bijna uit elkaar barsten, de kleverige schil

aan de overvolle takken, bukkend voor het gewicht,
herinner ik me de droom waarop iedereen

bovenop de Grote Kerk stond en achter hen alleen de
lucht zichtbaar zodat het leek of

de enige hemelvaart te A. was, de meest zaligmakende
plaats op aarde nu. In groepjes keerde men

echter terug, als Goden die eindelijk menselijk, het
echte werk gingen doen maar dat dacht ik pas

fietsend door de lege bochten waarin alleen die bomen
de leegte illustreerden terwijl zij

vruchtdragend steeds dichter op het asfalt hingen en
mij nauwelijks lieten gaan. Ik was wakker.

bijna de kunstenaar

Zo’n dag dat iedereen thuis is, je vermoedt kinderen
spelend op hun kamer terwijl ze aan

raamkozijnen hangen en lakens knopen aan de knop
van de verwarming, er zijn ongekend veel

vriendjes te logeren, de muziek is eigenlijk te luid en
hun spelletjes schetteren maar ach, ze hebben

plezier dus laat je ze, en dan valt er iets om, iemand
uit het venster misschien, er breekt iets, er

gilt wat en voordat je naar boven stuift en bloed ziet,
en passant flessen frisdrank en chips uit

de kast trekt, kijk je nog even om naar het rustig vertrek
dat straks ook slagveld wordt en zucht: zo

is het in dit huis, de buurvrouw bonst, de buurman komt
om drie over zeven klaar, de hond breekt los.

onbederfelijk

Eerst de ochtend waarin de stille stad ontwaakt, de straten wit
uitgeslagen, de staketsels rond de kerk, een

man op een ladder die een lamp terughangt alsof het de maan
is, behoedzaam, ik lachend naar boven, de

hand aan mijn hals waar sjaal en knoop stoeien met vocht en
kou, een graafmachine dwars op de rotonde, een

moeder met lege bakfiets voor een gesloten winkel, altijd heen
dezelfde weg als terug, opnieuw tellen, zien,

grijzend staat hij daar, paaseieren in de aanbieding, hazen zoek,
koffie en croissants in zijn handen, warm,

schuivend op de hoge krukken waarachter oude mannen, ruikend
naar rook en zweet, het lichaam zwaar. Dan

de week en dat hij zijn character into the great falls liet storten
with licking tongues, zodat ik opnieuw lach naar boven.

de activiteiten van

De kunsten zijn gered. Wijzelf misschien ook. Je kunt
leven op een punt taart, roze weliswaar, en je langs

keurig opgestelde politieauto’s wurmen met het geschreeuw
van hooligans rondom je en dwars door

massa’s toeristen en een trage trein toch in die donkere en
andere wereld thuiskomen met aan je handen

de buit van de dag. We hebben de foto’s, we hebben de
woorden, we hebben prei en wortel, aardappels

die zo groot hier niet groeien, de boterhammen gespaard,
ons truitje verkeerd om aan, hem in ons lijf.

Je kunt met zoveel minder toe en toch merk je daar pas,
zachte regen onderweg, hoe groot

de honger is en hoe lang je teerde op voorraden die lang
en onbederfelijk in je kasten scholen.

 

veel langzamer dan later

In de mistige morgen cirkelen de zilveren vogels luidruchtiger
boven mijn hoofd alsof ze de passagiers willen laten

uitstappen op mijn dak, er is niemand te zien, niets beweegt
zich, zelfs de zwarte vogels aarzelen alvorens.

Ik verzin een glijbaan en een scheve wolk, een behouden aankomst
en een gezellig samenzijn aan mijn tafel zoals ik me

iemand verzin die mij binnenhaalt en luistert naar mijn verhalen.
Er is alleen de idiote buurvrouw die soms en

onverwachts boven aan de trappen staat, moeder spelend over
een te laat thuiskomend kind, ik duik onder haar

armen door en draai drie keer mijn sleutel om alvorens zij gaat
krijsen of erger, niets zegt en alleen kijkt. Grijs ook

de rest van de wereld. Men zou kunnen beslissen tot een algeheel
zwijgen of de derde zwarte boom van rechts.

Oudere berichten

© 2018 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑