Alja Spaan

Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane (Bob Dylan, Tombstone Blues)

Categorie: de stad (pagina 1 van 11)

het

Vrouwen vliegen alle kanten op, er lopen er een
aantal over een dijk, er fietsen er drie,

vier door de hoofdstad, er borrelen een paar in een
Italiaans restaurant en ik verzamel nog

kinderen, van werken komt niets. Ik bezoek een
toilet met een spiegeldeur en bewonder

mijn hooggehakte wreef en hoe de broekspijp net
op goede hoogte valt, ik wil haar

op de foto maar zoek niet naar mijn camera en er
was iets met de kleur roze. Misschien

omdat de bezoeker zijn wijn meehad en in het gesprek
vond dat ik het gewoon kon doen: die

afspraak vergeten, uitslapen, bezwijken onder zijn
druk en niet hardop te schreeuwen ’s nachts.

een scheef geschreven tekst

Daar was het een aarzelende streep tussen gordijn en
de wereld buiten, een bezoeker die zich

aankondigde door bukkend onder de lage takken met
fietsbanden traag tikkend in het gat te

verdwijnen, druppels in de hals, een langzaam omhoog
trekken van het doek dat alles dan onthulde

op het moment dat het dag werd. Hier verzamelt men
zich boos op straat, stemmen gooien zich

hoog tegen de kerstballen in het trappenhuis, niemand
bukt, alles is meteen duidelijk en ook

al is het gat hetzelfde zwart als daar, de kennismaking
is bruter, de randen rafeliger, de ochtend

viezer en het is niet een bepaald moment dat het leven
begint, het is de herhaling van alles daarvoor.

omdat wij allen ontbreken

Hoe het zwart langzaam voorbijtrekt, uit elkaar schuift,
in flarden spookachtig scheurt, nog wat

speelt met de resterende bomen, schoorstenen, daken,
omlaag valt tussen de mensen, dingen, auto’s,

de straat bedekt, het vieze wit aan elkaar rijgt, bedekt
en dan weer vergroot, worstelt met

betekenis en herkomst en nooit helemaal verdwijnt maar
zich nestelt in het schuurtje van de buurman die

daarin het konijn bewaart en de vuurpijlen voor het grote
einde en de jurk van zijn moeder waarin

drie nog botte messen die alles zullen uitstellen, tergend
langzaam tot, en in het verfblik met het

restje weed, vroegtijdig gevonden door het roepend kind,
‘Witje, witje’, dat voor het echte feest had moeten zorgen.

een dagelijkse oefening

Daar krioelden alleen de beesten onder mij. In het
donker en op natte aarde, tussen piepende hekken
en smalle stroken land waarover

eerder mijn voorouders de sporen trokken. Hier leven
de mensen die hun gesprekken, voertuigen, honden,
vrienden onderaan mijn voeten verdelen,

luidkeels snaterend niets in ere houdend dan zichzelf.
Om terug te zijn, het pad te lopen tussen deze twee
plaatsen en de doden te herkennen, de vogels

op te graven, de kerkklokken te laten luiden, drie
rondes vol omtrekkende bewegingen waarbij ik elk
van hen kan groeten, de bomen te horen

ruisen, de enkele stap echoënd in een ochtend die dan
pas ontwaakt met geuren van het bloeiend veld, de
oogst, het fruit in de schuur en haar psalm.

 

(op mijn auteurspagina op Facebook een flard presentatie uit januari dit jaar
van de bundel handelend over het dorp)

het getrommel op haar lijf

Er zouden tien mensen op tien verschillende wijzen
omgebracht worden en omdat ik de tiende

was, zag ik de negen andere manieren zonder te weten
hoe mijn einde zou zijn. Gebruik je fantasie

ergens anders voor, zou hij zeggen, maar ik riep om
mijn moeder, ik riep hartverscheurend om

mijn moeder. Ik vluchtte en kwam terecht in de stad
waar mijn kinderen ooit woonden, klauterde

tussen de spijlen van een groen hek, kwam op een veld
met wit uitgeslagen patronen, stal een fiets en

probeerde het station te vinden, sliep later in een bed
waarin ik verstikt raakte in de lakens. Ik

kwam niet thuis. Wakker deed ik de balkondeur open
en verzon hoe ik zweefde naar omlaag.

plastic bloemetjes

Hoog in hun armen bekijkt hij de brede rivier die om
de stad heen loopt, het reuzenrad waarin zijn

pappa zijn mamma vroeg, het kinderkunstkleed in het
modernste museum waarover hij giechelend

naast zijn gekke vader kruipt, het puntje pizza dat hij
in zijn open mondje schuift, mamma zegt

Cheers, ik zie haar de letters vormen, hij heeft daarvoor
nog dag gezwaaid, rechtop in het scherm

voor mij, de sokken alweer half uit en lachend als ik
mijn blote voet via de werktafel in zijn

neusje duw, alle drie zo aanwezig en duidelijk en ik
als hem klauterend over de attributen,

hen, ons verleden, de herinnering aan moed en leven
en murmelende kooswoordjes als zijn ‘oma!’

geen geluid dan

Terug wil ik, op een holletje naar de warme kuil in
het bed, doen alsof er geen reden is voor

dit jarenlang ritme, dit besluit, me plotseling afmelden
maar aan wie en dan giechelend van blijdschap

om de herwonnen vrijheid al die anderen voor laten
gaan maar ik gun mezelf tien minuten slechts,

mijn bureaulamp het enige licht in de omtrek, de straat
als zwarte streep door een tekening, het

zacht gehamer op deze toetsen het enige geluid, mezelf
in de weerschijn van de nieuwe dag. Dan

zie ik opnieuw het open bed maar kleed me, verlegen
met de lange uren die volgen en de herinnering

aan zijn uitnodigend gebaar, de open deuren brengen
wapperende regen en een krakende lucht.

de beesten dood

Lang blijft het gesprek hangen, als de zware geur van
de bloeiende takken die zij me kocht, de

zon versluierd aan een volgende hemel, de gele bladeren
in de stroom die onder mij stilstaat. Een

man spreekt me aan op straat als ik vooroverbuig naar
het water. Lang duurt het voordat ik

mijn beeld scherpstel, ik hoor niet echt wat hij zegt. De
damp is het vacuüm waarin ik me beweeg.

Ik oefen mijn zinnen, alles moet verband houden met
elkaar, de afgeronde vorm wordt pas

later zichtbaar zoals stappen uit en om dit huis altijd
ergens naar toe leiden terwijl ze nauwelijks

zichtbaar zijn. Alleen op hakken tik ik hoorbaar de tijd
weg en stuiven de beesten naar hun hok.

elke keer komen wij onverhoeds weer binnen

Bij een bepaalde wind, storm uit het oosten of gewoon
een hoger cijfer dan normaal, schieten de

lichte insecten vanuit mijn rechterooghoek brommend
op me af, alsof ze allemaal van plan zijn

hun angels in mijn bil te steken of erger nog, dwars door
mijn oog te gaan dat voorgoed dan stil

blijft staan. Zo zijn ook de dromen bonter, meer mensen
die mij bezoeken, meer kinderen en kleuren

zelfs als graffiti op een dode muur, het raam klapt dicht,
de warmte schopt mij bloot, ik moet allen nog

waarschuwen voor de kracht van de natuur, wat vergat
ik te zeggen nog, dan komt de volgende

vlucht, spuwend gillen zij nu, steeds groter en buk ik maar
als een medepassagier op de voorste rij.

om mij af te leiden

Door het gladde pad, het groen verruild voor koper,
de natte stadswal met de opbouw van poffertjestent
en reuzenrad, omcirkelen wij de plaats

zoals voorvaderen ver voor ons deden, hun lijven
zwaar van harnas en schild dansen wij bijna op de
slingerende toegangsweg en elke

keer komen wij onverhoeds weer binnen, alles kennen
wij hoewel hem niet bij naam en toch is het een inval
en geen thuiskomen en moet iedere

keer weer het steen heroverd worden op de herkenning,
het welkom, opnieuw zich voegen onder ons, de deur
klemt, een hond schuilt in de leegte, een

te vroeg afgestoken vuurpijl waarschuwt, nog even de
geur van olie en pek alvorens een laatbloeiende struik
hangend in het water de buitenstaander verleidt.

 

(Alkmaar maakt zich op voor de viering van haar Ontzet)

Oudere berichten

© 2017 Alja Spaan

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑